Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen
Einde inhoudsopgave
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/3.6.5:3.6.5 Afrondende opmerkingen over de minderheidsopvatting en lessen voor het Nederlandse recht
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/3.6.5
3.6.5 Afrondende opmerkingen over de minderheidsopvatting en lessen voor het Nederlandse recht
Documentgegevens:
mr. S.R. Damminga, datum 07-11-2013
- Datum
07-11-2013
- Auteur
mr. S.R. Damminga
- JCDI
JCDI:ADS492641:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overige verbintenissen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Bijv. Lieb 2004, §812, nr. 222-231. Zie ook Lorenz (2007, §812, nr.4-8, 23-30) die heel kritisch is over de gangbare definitie van het begrip Leistung, maar wel alle gevallen waarin niet een prestatie met een relevante bedoeling is verricht, schaart onder de rubriek Nichtleistungskondiktionen.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Wat kunnen wij leren van de Duitse minderheidsbenadering voor het Nederlandse recht? Wij zagen dat het gangbare Leistungsbegrip in meerpartijenverhoudingen niet altijd de partijen aanwijst van wie het wenselijk is dat zij kunnen terugvorderen of moeten teruggeven. Het Leistungsbegrip schiet dus tekort. Ik meen daarom dat een minderheid in de Duitse literatuur terecht heeft betoogd dat de gangbare definitie van het Leistungsbegrip moet worden losgelaten en dat meer belang moet worden gehecht aan de principes van risicoverdeling. Ook stem ik met deze minderheid in dat de ontvangst en de verrichting van prestaties kunnen worden toegerekend aan anderen dan degenen die deze handelingen feitelijk verrichten.
Deze minderheid in de literatuur geeft in meerpartijenverhoudingen dus een ruimere invulling aan het begrip Leistung dan de heersende leer. Vormt deze ruimere invulling een oplossing voor het (dogmatische) probleem dat in 3.4.7 is besproken? Daar is geconstateerd dat de wijze waarop de heersende leer een onderscheid maakt tussen Leistungskondiktionen – waarmee slechts doelgerichte prestataties kunnen worden teruggevorderd – en Nichtleistungskondiktionen – waarmee afdracht kan worden gevorderd van verrijkingen die ontstaan zijn door andere prestaties en door inbreuken – niet overtuigend is. In paragraaf 3.4.7 is geconcludeerd dat het overtuigender is om te onderscheiden tussen enerzijds alle soorten prestaties (Zuwendungen, vermeerderingen van vreemd vermogen) en anderzijds verrijkingen die ontstaan door inbreuken op exclusieve rechtsposities. Een ruimer Leistungsbegrip maakt het in principe mogelijk dat elke prestatie (Zuwendung) wordt opgevat als een Leistung in de zin van §812.
Echter, de besproken minderheid van schrijvers hanteert alleen in meerpartijenverhoudingen een ruimer Leistungsbegrip. Zij meent dat wel een Nichtleistungskondiktion ontstaat in tweepartijenverhoudingen waarin de verrijkingsschuldeiser een prestatie zonder een relevante bedoeling heeft verricht.1 Stel bijvoorbeeld dat A per vergissing niet zijn eigen land bewerkt, maar het land van zijn buurman B. Ook volgens deze schrijvers wordt niet een Leistung in de zin van §812 verricht door A aan B. A zou daarom een Nichtleistungskondiktion hebben tegen B. Ook in de minderheidsbenadering komt daardoor het onderscheid tussen verrijkingen die zijn ontstaan door prestaties (Zuwendungen, d.w.z. vermeerderingen van vreemd vermogen) en andere verrijkingen (door inbreuken op exclusieve rechtsposities) te weinig naar voren. Ik ben daarom van mening dat de minderheidsopvatting weliswaar inspiratie biedt, maar niet onverkort voor het Nederlandse recht moet worden overgenomen.
Hoe beidt de minderheidsopvatting dan inspiratie? Ik meen dat als een ruimere opvatting van het begrip Leistung in de zin van §812 wordt aanvaard – zodat ook prestaties die zijn verricht zonder dat de verrijkingsschuldeiser een bedoeling heeft nagestreefd als Leistung kwalificeren – het mogelijk zou zijn om de Nichtleistungskondiktion te beperken tot gevallen waarin een inbreuk is gemaakt op exclusieve rechtsposities. Daarmee zou een meer systematische inkadering van §812 ontwikkeld kunnen worden. Een dergelijke systematisering van §812 is echter niet het onderwerp van dit proefschrift. Voor dit proefschrift is echter wel van belang dat een vergelijkbare opvatting voor het Nederlandse recht het mogelijk zou maken om de artikelen 6:203 en 6:212 BW te systematiseren. Artikel 6:203 zou dan een oplossing kunnen geven in alle gevallen waarin prestaties zonder rechtsgrond zijn verricht, terwijl artikel 6:212 zou kunnen worden beperkt tot inbreuken op exclusieve rechtsposities.
Ik meen verder dat de principes van risicoverdeling van groot belang zijn. Bij de invulling van de vereisten van deze artikelen moet daarmee naar mijn mening rekening worden gehouden. Ook de opvatting dat de verrichting en de ontvangst van prestaties kunnen worden toegerekend, biedt mogelijkheden voor een nieuwe invulling van de vereisten van artikel 6:203 en 6:212. Ik werk dat in de volgende hoofdstukken uit.