Het juridische begrip van godsdienst
Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/2.2.12:2.2.12 Reikwijdte-overlap en reikwijdte-afbakening
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/2.2.12
2.2.12 Reikwijdte-overlap en reikwijdte-afbakening
Documentgegevens:
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS457607:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Met andere woorden, de bescherming van de verschillende aan de orde zijnde grondrechten wordt dan samengevoegd. Zie Van der Pot/Elzinga, De Lange & Hoogers 2014, p. 270.
EHRM 26 september 1995, nr. 17851/91 (Vogt v Duitsland); zie voor een vergelijkbare zaak EHRM 10 juli 2003, nr. 44179/98 (Murphy v Ierland).
ABRvS 5 januari 1996, AB 1996, 179, m.nt. Hofman.
Zie uitgebreid over de eerdere De Deur-zaken: Mendelts 2001, p. 82-85.
HR 28 nov. 1950, NJ 1951, 137 (Tilburg).
ABRvS 5 januari 1996, AB 1996, 179, m.nt. Hofman, punt 4.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ten slotte dienen we in het kader van de reikwijdte van de grondrechtsobjecten van artikel 9 EVRM en artikel 6 Grondwet nog de eventuele overlap in reikwijdte of juist de afbakening in reikwijdte tussen verschillende grondrechten aan de orde te stellen. De overlap of de afbakening in reikwijdte heeft immers invloed op de vraag of iets telt als godsdienstig.
Het is niet altijd eenvoudig om te bepalen welk grondrecht van toepassing is ten aanzien van een bepaalde uiting of gedraging. Er wordt dan bijvoorbeeld geclaimd dat een uiting zowel valt onder de vrijheid van meningsuiting als onder de vrijheid van godsdienst. De vraag is dan of een meningsuiting tegelijkertijd het belijden van godsdienst of levensovertuiging kan inhouden. In de gevallen waarin meerdere grondrechten van toepassing kunnen zijn spreekt men van een reikwijdteoverlap. De kwalificatie van de uiting of handeling is in die gevallen relevant omdat de beperkingsregimes per grondrecht kunnen verschillen. De regel is dat bij twijfel het grondrecht aan de orde is dat voor de burger de meeste bescherming oplevert.1
In sommige zaken wordt in weerwil van de claim van de justitiabele een uiting of gedraging niet gekwalificeerd als een uitdrukking van een godsdienst of levensovertuiging, maar wordt de uiting of gedraging door de wetgever of rechter beschermd door middel van een ander grondrecht. Dit doet zich bijvoorbeeld voor indien de rechter een uitlating niet kwalificeert als een directe uitdrukking van godsdienst of levensovertuiging maar als een ‘mening’ met een religieuze of levensbeschouwelijke achtergrond. Het uiten van die mening valt dan onder het recht van de vrijheid van meningsuiting. Zo werd in de zaak Vogt v Duitsland het ontslag van een docente Frans/Duits vanwege haar communistische opvattingen en gedragingen als lid van de communistische partij gelezen in het licht van het recht op de vrijheid van meningsuiting en niet in het licht van het recht op de vrijheid van levensovertuiging. 2
Een ander (nationaal) voorbeeld hiervan vinden we in de Zwolse De Deur-zaak.3 Deze kwestie ging over het gebruik van geluidsversterkende apparatuur bij evangeliserende activiteiten door een christelijk-evangelische gemeente (kerk). Hoewel de christelijk-evangelische gemeente vond dat het gebruik van deze apparatuur een integraal onderdeel vormde van het belijden van hun godsdienst kwalificeerde de ABRvS het niet als een vorm van belijden (onder de reikwijdte van artikel 6 lid 2 Grondwet) maar als een aan de godsdienstvrijheid verbonden (connex) recht op geluidsversterking dat valt onder het bereik van artikel 7 lid 3 Grondwet (vrijheid van meningsuiting).4 De ABRvS kon het gebruik van geluidsversterkende apparatuur niet als godsdienstige uiting kwalificeren omdat het door de bezwaarschriftcommissie van de gemeente Zwolle opgevoerde doel van de beperking niet ‘matchte’ met één van de doelcriteria opgenomen in artikel 6 lid 2 Grondwet: bescherming van de gezondheid, het belang van het verkeer of de bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden. Het doel dat de bezwaarschriftcommissie van de gemeente Zwolle opvoerde was namelijk ‘eisen van maatschappelijk verkeer’. Dit doel was echter niet opgenomen in artikel 6 lid 2 Grondwet en had ook geen wettelijke grondslag in de zin van artikel 6 lid 1 Grondwet en was daarom onrechtmatig. De ABRvS oordeelde echter dat voor dit geval de vanaf de jaren ’50 van de vorige eeuw in het kader van artikel 7 Grondwet ontwikkelde verspreidingsjurisprudentie van toepassing was.5 In deze jurisprudentie is een verspreidingsrecht erkend, dat niet valt onder de eigenlijke vrijheid van meningsuiting, maar hieraan dienstbaar is en een ondergeschikt karakter heeft. Hieronder vallen zogeheten ‘zelfstandige verspreidingsmiddelen’ zoals aanplakken, folderen, lopen met sandwichborden en dergelijke. In tegenstelling tot de eigenlijke vrijheid van meningsuiting mag het verspreidingsrecht ook beperkt worden door lagere regelgevers.6 Door het gebruik van geluidsversterkende apparatuur als ‘zelfstandig verspreidingsmiddel’ te kwalificeren kon de ABRvS toch beperkingen hierop toestaan in de vorm van geluidsvoorschriften opgenomen in de APV van Zwolle.
Het kwalificeren van vormen van belijden als uitingen of gedragingen die vallen onder de reikwijdte van een ander grondrecht heeft uiteraard gevolgen voor de reikwijdte van de godsdienstvrijheid. Indien bijvoorbeeld religieuze uitingen in toenemende mate worden gekwalificeerd als uitingen van een religieuze ‘mening’ betekent dit dat de vrijheid van meningsuiting het terrein van de vrijheid van godsdienst ‘koloniseert’. Hierdoor neemt mogelijk het belang van de godsdienstvrijheid af ten gunste van de reikwijdte van de vrijheid van meningsuiting. Niet duidelijk is in hoeverre er sprake is van een trend. Opgemerkt dient te worden dat deze kwestie geen gevolgen heeft voor de kwalificatie van uitingen en gedragingen als godsdienstig. Ook wanneer dergelijke uitingen en gedragingen onder een ander grondrecht worden geschaard, bijvoorbeeld als (verspreiding van een) mening met een godsdienstige achtergrond, dient deze achtergrond als godsdienstig te worden gekwalificeerd. In bovengenoemde casus over geluidsversterkende apparatuur kwalificeerde de ABRvS de boodschap die de gemeente De Deur uitdroeg wel als godsdienstig, maar plaatste zij het middel dat hiervoor werd gebruik onder een ‘connex’ recht van verspreiding.
Alleen wanneer bij toepassing van een ander grondrecht de religieuze aard van een uiting of gedraging volstrekt wordt genegeerd, bijvoorbeeld door een uiting alleen te kwalificeren als een mening in plaats van als een mening met een religieuze achtergrond, kan men stellen dat ook het juridische begrip van godsdienst wordt gekoloniseerd door een ander juridisch begrip, in dit geval meningsuiting. Hiervoor zijn echter geen aanwijzingen.