Einde inhoudsopgave
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/6.2.5
6.2.5 Conflict: gebrek aan gebondenheid schuurt als het misgaat
Mr. dr. T.A. Cramwinckel, datum 29-07-2022
- Datum
29-07-2022
- Auteur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel
- JCDI
JCDI:ADS661508:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Organisatie Belastingdienst
Voetnoten
Voetnoten
Damen 2018, p. 32: ‘…hoe twee werelden met elkaar kunnen schuren en zelfs botsen: de leefwereld van een gewone burger en de harde realiteit van het systeem’.
In de casusposities zoeken de burgers de fout niet (expliciet) bij zichzelf; zij achten de miscommunicatie geheel aan de Belastingdienst te wijten. Dat is verklaarbaar vanuit het oogpunt dat de onjuistheid in de informatie voor hen steeds niet kenbaar was of behoefde te zijn.
Vgl. het betoog van belanghebbende in Rechtbank Arnhem 1 februari 2011, nr. AWB 10/1461, V-N 2011/20.23.9, r.o. 4 ‘dat het onaanvaardbaar is indien een fout van de belastingtelefoon grote financiële gevolgen heeft voor eiser, zelfs indien de toezegging zou indruisen tegen de wettelijke bepalingen.’
Damen 2018, p. 18.
Uit de confrontatie bij de casusposities blijkt dat het juridische aangrijpingspunt voor binding sterk afwijkt van het aangrijpingspunt in het burgerperspectief. Dat ligt met name aan het andere vertrekpunt (geen binding, tenzij) en door de gestelde eisen om een uitzondering te maken. Het dispositievereiste toont zich in de rechtspraak een vrijwel onoverkomelijke hobbel voor de burger, terwijl deze eis tot het communicatief bezien ongerijmde resultaat leidt dat de burger – zelfs als hij zich niet bewust was en hoefde te zijn van onjuistheid van de voorlichting – het risico draagt van fouten, onjuistheden en onvolledigheden aan de zijde van de Belastingdienst (zie casuspositie 1, 2, 4, 5, 6). Het risico op miscommunicatie wordt dan bij de burger gelegd, zelfs in gevallen waarin de burger geen enkel verwijt kan worden gemaakt. Die hoofdregel is vanuit communicatief oogpunt ‘oncoöperatief’: het is in strijd met communicatieve principes. De casusposities leggen daarmee een aansluitingsverschil bloot tussen de wereld van de burger en het juridische systeem.1
Het juridische argument van de Hoge Raad – het belang van een onbelemmerde uitvoering van de voorlichtende taak – is voor de burgers in de casusposities niet (voldoende) overtuigend om het risico te dragen van tekortschietende voorlichting (casus 1, 2, 3, 5, 6, 7). De burgers in de casusposities begrijpen niet waarom de Belastingdienst zich niet aan zijn woord houdt maar teruggrijpt op de wet – en dat zelfs mág doen.2 Dat roept frustratie op.
Zo vraagt de invalide autobezitter met autokosten zich af wat het voor zin heeft om in overleg te gaan met de Belastingdienst als deze zich toch niet hoeft te houden aan zijn woord en waarom de Belastingdienst reclame maakt voor telefonisch contact als de informatie van de Belastingdienst geen waarde heeft. Denk aan de thuiswerkende notaris die geen belang ziet in een onbelemmerde voorlichtende taak als het risico daarvan slechts bij burgers ligt. Zie ook de echtgenote in het te eenvoudige stroomschema die onbegrijpelijk acht dat de Belastingdienst onzorgvuldig mag zijn, terwijl burgers daarvan de dupe worden en voor de Belastingdienst sprake is van een ‘win-win-situatie’). Deze reacties laten zien dat de huidige toepassing van het vertrouwensbeginsel bij voorlichting vanuit het burgerperspectief onevenredig veel risico bij de burger legt.3 Bovendien tonen de casusposities aan dat schending van communicatieve en juridische gebondenheid door de Belastingdienst consequenties kan hebben bij burgers, zoals teleurstelling, onbegrip, frustratie, verlies aan vertrouwen en rechtsvervreemding.4
Tegelijkertijd volgt uit de taal- en communicatiewetenschap niet dat burgers in alle gevallen erop mogen rekenen dat de Belastingdienst in elke situatie aan die voorlichting is gebonden. Niet elke bij de burger gewekte verwachting (subjectieve verwachting) is redelijk (je mag niet naar je toe redeneren). Het burgerperspectief betekent weliswaar dat het probleem moet worden bezien vanuit het oogpunt van de burger, maar dit betekent niet dat individuele burgers altijd hun zin moeten krijgen. Daarbij komt dat honoreren van gewekte verwachtingen juridisch gecompliceerder is dan enkel het nakomen van communicatieve verwachtingen. De wet moet ervoor opzij worden gezet. Daarvoor zijn adequate juridische afwegingen nodig. Bovendien heeft de Belastingdienst in de voorlichtende taak te maken met vaak complexe fiscale wetgeving, voorlichting die naar zijn aard een volstrekt ander karakter heeft dan de wet, relatief ondeskundig publiek, een veelheid aan situaties en voorkeuren en taal als imperfect instrument (paragraaf 2.2, 2.5, 5.6). Een oplossing voor de botsing tussen de perspectieven is dus nog niet zo eenvoudig (paragraaf 7.2).
Overeenkomst tussen het juridisch perspectief en burgerperspectief
Een belangrijk punt is nog onbesproken gebleven. Naast discrepanties, bestaat tussen beide perspectieven een fundamentele parallel. De belangrijkste overeenkomst is dat in zowel het juridisch perspectief als het burgerperspectief de mogelijkheid bestaat dat burgers op voorlichting mogen vertrouwen. Deze constatering is van groot belang. Het betekent namelijk dat de perspectieven op principieel niveau een idee van gebondenheid gemeenschappelijk hebben.
Natuurlijk is de uitwerking ervan – zoals inmiddels genoegzaam duidelijk is – volstrekt verschillend, maar dat doet aan de overeenkomst niet af. Het prangende verschil bestaat in het aangrijpingspunt waarbij gebondenheid aan gewekte verwachtingen ontstaat. Genoemde vaststellingen zijn belangrijk bij het ontwikkelen van oplossingsrichtingen voor de herijking (paragraaf 7.3).