Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/13.3.4
13.3.4 Betekenis van ‘buiten redelijke twijfel’/‘beyond reasonable doubt’: ‘doen blijken’
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940574:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zoals verwoord door Feteris 2002, p. 377.
Hoewel de Hoge Raad dat niet met zoveel woorden heeft gezegd, heeft ‘buiten redelijke twijfel’ naar mijn mening precies dezelfde betekenis als ‘beyond reasonable doubt’. Ook Haas stelt beide begrippen op één lijn, zie zijn noot bij HR 8 april 2022, BNB 2022/68 (punt 2).
HR 8 april 2022, BNB 2022/68, V-N 2022/17.10, r.o. 3.2. Om handen en voeten te geven aan de notie van ‘doen blijken’ uit het algemene fiscale bewijsrecht, had Koopman eerder al verwezen naar de formule ‘beyond reasonable doubt’, Koopman 1996, par. 4.2. Dat inzicht kwam hem ruim een kwart eeuw later, als voorzitter van de zetel die het arrest wees, ongetwijfeld van pas.
Zie daarover nader paragraaf 7.3.8.
Zie paragraaf 7.4.5.2.
Zie paragraaf 4.2.8 en paragraaf 7.3.8.3.1.
Zie r.o. 4.11 van de Hofuitspraak, kenbaar uit HR 23 juni 1993, BNB 1993/272.
HR 5 november 2021, V-N 2021/48.15, BNB 2022/3, r.o. 2.7.2 (er mag in feite geen onzekerheid meer zijn). In deze zin: de Redactie Vakstudie-Nieuws in de Aantekening.
Van Houte heeft in dit verband gesteld dat de voor ‘beyond reasonable doubt’ vereiste mate van zekerheid hoger moet zijn dan de 95 % betrouwbaarheid welke doorgaans bij toepassing van de guldensteekproef wordt gehanteerd (Van Houte 2004, par. 2.3).
Het is niet nodig dat de rechter dat ook uitdrukkelijk (en als zodanig) benoemt. Zie HR 3 februari 2023, V-N 2023/8.13, BNB 2023/48, r.o. 4.3.1, waarin de Hoge Raad het Hof op dit punt heeft gered door te overwegen dat ‘het Hof kennelijk als zijn oordeel tot uitdrukking heeft. willen brengen dat buiten redelijke twijfel is dat het aan het (voorwaardelijk) opzet van belanghebbende is te wijten dat te weinig belasting is geheven.’.
Zie ook paragraaf 7.3.8.3.1.
De gradatie ‘beyond reasonable doubt’ houdt in letterlijke zin in dat het voorbij redelijke twijfel moet zijn dat het beboetbare feit is gepleegd. Dat gaat verder dan ‘voorbij serieuze twijfel’.1 De rechter moet immers geen redelijke twijfel meer kunnen hebben en daarvoor is meer overtuigend bewijs nodig dan voor het wegnemen van alleen serieuze twijfel. De bewoordingen ‘buiten redelijke twijfel’ die de Hoge Raad in het arrest van 8 april 2022 hanteerde, sluiten daarop aan.2
In het arrest van 8 april 2022 heeft de Hoge Raad duidelijk aangegeven wat de betekenis is van de bewijsgradatie ‘buiten redelijke twijfel’: deze gradatie stemt inhoudelijk overeen met de in de fiscale wetgeving voorkomende formulering ‘doen blijken’ (overtuigend aantonen).3 Het gaat dus om de zware gradatie,4 die in de sfeer van de heffing onder meer wordt gehanteerd in het kader van de omkering van de bewijslast.5 Naar mijn mening is deze gradatie gelijk aan de internationaal gangbare bewijsstandaard ‘beyond reasonable doubt’, die ook in het Nederlandse strafrecht geldt.6
Ook vóór het arrest van 8 april 2022 had de Hoge Raad al laten doorschemeren dat ‘doen blijken’ en ‘beyond reasonable doubt’ inhoudelijk op één lijn moeten worden gesteld. In de zaak die heeft geleid tot het hiervoor in paragraaf 13.3.3.1 aangehaalde arrest uit 1993 had het Hof vastgesteld dat de inspecteur zijn stellingen ‘overtuigend had aangetoond’, oftewel: had ‘doen blijken’.7 De Hoge Raad overwoog vervolgens dat het Hof kennelijk had gemeend dat een en ander ‘buiten redelijke twijfel’ was. Ook uit een arrest uit 2021 kon al worden afgeleid dat de Hoge Raad onder ‘buiten redelijke twijfel’ inhoudelijk hetzelfde verstaat als onder ‘doen blijken’.8
Naar mijn mening kan voor de betekenis van ‘beyond reasonable doubt’ inderdaad een bruikbare parallel worden getrokken met de in het algemene fiscale bewijsrecht gebruikelijke, zware bewijsgradatie van ‘doen blijken’. Het leveren van bewijs naar die zware gradatie komt overeen met de gradatie ‘beyond reasonable doubt’ uit de jurisprudentie van het EHRM. ‘Doen blijken’ is immers overtuigend aantonen: de feiten hoeven weliswaar niet onomstotelijk vast te staan, maar een andere verklaring of lezing van het gebeurde moet wel uiterst onwaarschijnlijk zijn.9 Los van louter denkbeeldige, zeer onwaarschijnlijke of fantasierijke scenario’s zijn er in beginsel geen andere verklaringen mogelijk. Kortom: om overtuigend aan te tonen, moet elke redelijke twijfel zijn weggenomen.10 De mogelijkheid dat de boeteling het beboetbare feit niet heeft begaan, moet in redelijkheid niet meer bestaan, precies zoals dat bij ‘beyond reasonable doubt’ het geval is.11