Het algemene opschortingsrecht
Einde inhoudsopgave
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/8.6:8.6 Uitoefening algemene opschortingsrecht onderworpen aan redelijkheid en billijkheid
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/8.6
8.6 Uitoefening algemene opschortingsrecht onderworpen aan redelijkheid en billijkheid
Documentgegevens:
G.J. Boeve, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
G.J. Boeve
- JCDI
JCDI:ADS950382:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De uitoefening van een opschortingsbevoegdheid op grond van artikel 6:52 lid 1 BW is onderworpen aan de beperkende werking van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid. Deze toetsing van de uitoefening van het algemene opschortingsrecht aan de redelijkheid en billijkheid blijkt niet met zoveel woorden uit artikel 6:52 lid 1 BW, maar vloeit voort uit artikel 6:2 lid 2 en artikel 6:248 lid 2 BW.1 De beantwoording van de vraag wanneer het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de schuldenaar zich op het algemene opschortingsrecht beroept en hij zijn opschortingsbevoegdheid op grond van artikel 6:52 lid 1 BW dus niet mag uitoefenen, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt het in de kern genomen aan op een afweging van de bij die uitoefening betrokken belangen van partijen. In het licht van de omstandigheden van het geval dient de uitoefening van het algemene opschortingsrecht doelmatig en evenredig te zijn.2 Naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid kan het onaanvaardbaar zijn dat de schuldenaar zijn opschortingsbevoegdheid uit hoofde van artikel 6:52 BW uitoefent als sprake is van een onevenredige verhouding tussen de waarde van de vordering en de verbintenis.3 Het kan ook onaanvaardbaar zijn dat de schuldenaar die bevoegdheid uitoefent als de wederpartij door die uitoefening onevenredig in haar belangen wordt geschaad.4 Redenen van doelmatigheid kunnen meebrengen dat de schuldenaar dient af te zien van het uitstellen of verder uitstellen van de nakoming van zijn verbintenis of eventueel moet kiezen voor andere, voor zijn wederpartij minder bezwaarlijke rechtsmaatregelen.5 Voorts kan het door de schuldenaar niet verschaffen van duidelijkheid over datgene wat hij met de uitoefening van het algemene opschortingsrecht wenst te bewerkstelligen leiden tot de conclusie dat een verdere uitoefening naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, als deze onduidelijkheid aan de doelmatigheid van deze uitoefening in de weg staat.6 Tot slot kan de schuldenaar zich ook niet meer op een in beginsel aan hem toekomend opschortingsrecht beroepen als hij dat recht heeft verwerkt of daarvan afstand heeft gedaan.7