De acting in concert-regeling inzake het verplicht bod op effecten
Einde inhoudsopgave
Acting in concert-regeling inzake verplicht bod op effecten (VDHI nr. 136) 2016/12.4.1.2:12.4.1.2 Vermoeden van onderling overleg van toepassing
Acting in concert-regeling inzake verplicht bod op effecten (VDHI nr. 136) 2016/12.4.1.2
12.4.1.2 Vermoeden van onderling overleg van toepassing
Documentgegevens:
mr. J.H.L. Beckers, datum 01-01-2016
- Datum
01-01-2016
- Auteur
mr. J.H.L. Beckers
- JCDI
JCDI:ADS367611:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Eerder kwam al uitgebreid aan de orde dat voor de toepassing van de verplicht bod-regeling moet worden aangenomen dat een natuurlijke persoon een dochtermaatschappij kan hebben, zie eerder § 11.3.4.3 sub I.
Sanders/Westbroek 2005, nr. 1.6.2, met instemming geciteerd in Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/819. In het Duitse concernrecht spreekt men van “Mehrmütterherrschaft”.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Bij bepaalde afspraken tussen aandeelhouders van de holding kan deze als dochtermaatschappij kwalificeren.1 Ingevolge de definitie van art. 2:24a lid 1 sub a BW kan zich bij bepaalde stemafspraken tussen aandeelhouders de situatie voordoen dat een dochtermaatschappij meer dan een moeder heeft.2 In dat geval worden haar stemrechten wederzijds toegerekend aan haar aandeelhouders op grond van het onweerlegbare vermoeden van onderling overleg in art. 1:1 Wft.