Einde inhoudsopgave
De invloed van werknemers op de strategie van de vennootschap (IVOR nr. 95) 2014/4.4.4.2
4.4.2 Het beroepsrecht
mr. M. Holtzer, datum 03-04-2014
- Datum
03-04-2014
- Auteur
mr. M. Holtzer
- JCDI
JCDI:ADS384016:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
OK 7 juli 1988, NJ 1989, 845.
OK 28 november 1991, NJ 1992, 201 (BAT Nederland).
OK 10 maart 1994, JAR 1994/74 (Nering Bögel); OK 23 oktober 1997, JAR 1997/244, OK 18 juni 1998, JAR 1998/150 (Total) en OK 13 juni 2002, JOR 2002/162 (Leaf). Zie verder Kemperink 2002, p. 158 e.v. en Verburg 2007, p. 141 e.v.
OK 11 november 1999, nummer 911/99 OK (niet gepubliceerd).
Duk 2002, p. 11.
Zie hoofdstuk 3, nr. 2.3 en 2.4.
OK 23 oktober 1997, JAR 1997/244. Dit voorbeeld wordt overigens ook door Duk genoemd (Duk 2002, p. 12).
Verburg 1998.
Deze feiten zijn niet in de uitspraak zelf te lezen en door Verburg samengevat.
OK 9 juli 2013, ARO 2013/141.
OK 10 maart 1994, JAR 1994/74.
OK 18 juni 1998, JAR 1998/150.
OK 13 juni 2002, JOR 2002/162.
OK 8 juni 2006, ARO 2006, 112.
OK 17 januari 2008, ARO 2008, 36.
OK 9 januari 2008, ARO 2008, 35 en OK 19 februari 2008, ARO 2008, 73 m.nt. Sprengers in Sociaal Recht 2008 – 6. Zie ook Rechtbank Arnhem (Voorzieningenrechter) 29 november 2007, JAR 2008/31.
OK 14 oktober 2010, ARO 2010, 166 m.nt. Van het Kaar in TRA afl. 2 – februari 2011 (VLM I). Het cassatieberoep tegen dit oordeel werd door de Hoge Raad verworpen (HR 3 februari 2012, ARO 2012/23).
OK 4 december 2012, ARO 2013/22.
OK 15 april 2004, ARO 2004, 63 m.nt. Sprengers in Sociaal Recht 2004-10.
OK 20 oktober 2005, ARO 2005, 191 m.nt. Sprengers in Sociaal Recht 2006-3.
Bij de behandeling van de uitoefening van het advies- en beroepsrecht bij het Nederlandse (internationale) concern kwam de spanning aan de orde die ontstaat wanneer beleid wordt bepaald op het niveau van de holdingvennootschap en de uitvoering daarvan binnen de dochter plaatsvindt. Ik besprak de jurisprudentie waarin Hoge Raad en Ondernemingskamer onder omstandigheden en in sommige specifieke gevallen bereid waren door juridische structuren heen te kijken om de toepassing van de WOR te optimaliseren. In dit onderdeel stel ik de vraag of het feit dat de Nederlandse onderneming deel uitmaakt van een buitenlands internationaal concern tot grotere problemen bij de toepassing van de WOR leidt dan bij Nederlandse (internationale) concerns het geval is.
De basisgedachte achter de toepassing van het medezeggenschapsrecht in Nederland is voor buitenlandse concerns niet wezenlijk anders dan voor Nederlandse ondernemingen: het uitgangspunt is dat, ook al wordt het strategisch beleid op het niveau van de concernleiding bepaald, het bestuur van de dochtervennootschap zelf moet beslissen of – en zo ja, onder welke omstandigheden – medewerking aan dat beleid wordt verleend. Dit kwam onder meer tot uitdrukking in de uitspraak van de Ondernemingskamer in de beroepsprocedure in de zaak Fluke.
In de zaak Fluke kwam de ondernemingsraad in beroep tegen het besluit van Fluke Holland, onderdeel van het in Everett (Verenigde Staten) gevestigde concern John Fluke, een onderneming op het gebied van test- en meetapparatuur, tot sluiting van de productieafdeling te Tilburg.1 Fluke Holland baseerde dit besluit op een rapport van een strategische adviesorganisatie waarin werd aanbevolen de productie van Tilburg naar Everett over te brengen en werd geconcludeerd dat er onvoldoende mogelijkheden aanwezig waren om de productieafdeling in Tilburg als verzelfstandigde organisatie voort te zetten. Aldus zou een wereldwijde winstgroei van de organisatie als geheel worden bevorderd. De Ondernemingskamer oordeelde dat niet was gebleken of deze belangen waren afgewogen tegen de rechtmatige belangen van de werknemers van Fluke Holland bij het voortbestaan van de op zichzelf rendabele productieafdeling te Tilburg. De ondernemingsraad had terecht aangevoerd dat de ondernemer, door zich slechts te baseren op het rapport, niet had uiteengezet welke objectieve criteria tot de conclusie moesten leiden dat het toekennen van productie aan Tilburg niet mogelijk of verantwoord zou zijn.
Deze beschikking past in een reeks uitspraken waarvan de hoofdlijn is dat de dochtervennootschap zich in beginsel aan de concernstrategie heeft te houden,2 maar dit concernbeleid niet per definitie een redelijk handelen van de ondernemer oplevert. Van belang is of de ondernemer de betrokken belangen op redelijke wijze heeft afgewogen, waarbij de concernstrategie wel gewicht in de schaal legt, maar niet zonder meer doorslaggevend is.3 In haar jurisprudentie heeft de Ondernemingskamer duidelijk gemaakt niet onder de indruk te zijn van het argument dat het beleid (binnen het concern op hoog niveau) wordt bepaald, ook als het om buitenlandse internationale concerns gaat.
Dit laatste kwam tot uitdrukking in de zaak Wang Global.4 Daarin ging het om een Nederlandse ict-onderneming op het gebied van informatie- en communicatietechnologie met 750 werknemers, die na overname van haar in de Verenigde Staten gevestigde moedervennootschap door het Getronics-concern met deze organisatie geïntegreerd werd. De ondernemingsraad vroeg een voorlopige voorziening aan de Ondernemingskamer die was gebaseerd op de stelling dat de ondernemer reeds een besluit had genomen tot integratie van de activiteiten van Wang in de Getronics-organisatie en tot transformatie van de structuur van deze geïntegreerde organisatie, zonder dat daarover het advies van de ondernemingsraad was gevraagd. Hij baseerde die stelling op het feit door de ondernemer het bedrijfsautomatiseringssysteem had ingevoerd nog voordat de aan de ondernemingsraad te gunnen termijn voor advisering was verstreken, dat geen advies was gevraagd over een daarmee samenhangende aandelenoverdracht en dat de ondernemer te kennen had gegeven dat hij de door de ondernemingsraad gestelde vraag naar de wenselijkheid van de integratie van Wang in de Nederlandse structuur van Getronics beschouwde als een gepasseerd station. Wang verweerde zich onder meer met de stelling dat het advies van de ondernemingsraad nog wel betrekking zou kunnen hebben op de verschillende modaliteiten van de integratie en transformatie, maar dat het principiële uitgangspunt dat er geïntegreerd en getransformeerd diende te worden al door de concernleiding was bepaald. De Ondernemingskamer overwoog (r.o. 2.4): “In dit verband verdient opmerking dat het aan de ondernemingsraad toekomende adviesrecht ingevolge artikel 25 WOR niet alleen betrekking heeft op de modaliteiten van het te nemen besluit, maar ook op de vraag of een besluit als waar het hier om gaat als zodanig genomen dient te worden.” De Ondernemingskamer laat hier dus nadrukkelijk ruimte voor advisering door de ondernemingsraad over het strategische besluit als zodanig en bevestigt dat dit adviesrecht niet kan worden beperkt tot de uitvoering daarvan.
Duk wijst erop dat in die beschikking niet de conclusie werd getrokken dat het adviesrecht zich mede uitstrekt tot het besluit tot integratie, voor zover dat buiten Nederland effect sorteerde.5 Hij leidt daaruit af dat het advies- en beroepsrecht van een ondernemingsraad die betrokken is bij een Nederlandse onderdeel van een meer omvattend besluit van weinig betekenis is. Wanneer de overige onderdelen van het besluit in beroep onaangetast blijven, dan is een eigen budget of de integratie in de Nederlandse delen van het concern in beginsel het laatste stukje van de legpuzzel, als gevolg waarvan weinig ruimte voor variatie of invloed bestaat. Dit probleem speelt volgens Duk ook in andere situaties. Besluit een concern bijvoorbeeld tot verkoop van een bepaalde divisie, dan is het weinig geloofwaardig als de tot die divisie behorende ondernemingen buiten Nederland zonder meer verkocht en overgedragen kunnen worden, maar verkoop van de Nederlandse onderneming opgehouden moet worden totdat het adviestraject over de verkoop daarvan goed doorlopen is.
Ik meen dat deze opvatting van Duk niet overeenstemt met de bedoeling van de wetgever en de jurisprudentie van Hoge Raad en Ondernemingskamer. De wetgever heeft zich bij de introductie van het advies- en beroepsrecht zeer wel gerealiseerd dat hiermee een in internationaal verband bezien uniek systeem tot stand kwam.6 Hij overwoog dat deze regeling geen schade veroorzaakte aan het vestigingsklimaat van Nederland, zodat de vraag naar de geloofwaardigheid van een in een buitenlands internationaal concern genomen besluit, dat in Nederland wordt opgehouden, daarmee beantwoord is. Indien de adviesprocedure jegens de ondernemingsraad niet correct is doorlopen, heeft ook de concernleiding van een buitenlandse internationale groep, langs de band van het Nederlandse bedrijfsonderdeel, te accepteren dat de uitvoering van het beleid stagneert en wellicht op min of meer wezenlijke punten moet worden gewijzigd. De zaak Wang Global is daarvan een illustratie, evenals de uitspraak in de kwestie Nedlin.7
In de zaak Nedlin ging het om een beroepsprocedure van de ondernemingsraad van Nedlin Groep B.V. tegen het besluit tot overdracht van de zeggenschap van CEC Nederland B.V. over Nedlin en zijn dochtervennootschappen aan Rentokil Initial Plc. Dit besluit maakte deel uit van een omvangrijkere transactie die strekte tot de overdracht van de volledige textielverhuuractiviteiten van Compagnie Générale de Chauffe aan Rentokil. De Ondernemingskamer overwoog dat het enkele feit dat de leiding van een concern heeft besloten tot de overdracht van bevoegdheden over onderscheidende concernondernemingen niet tot gevolg heeft dat het op ondernemingsniveau uitvoering geven aan dat besluit per definitie als redelijk handelen van de leiding van de onderneming moet worden beschouwd. De ondernemer dient bij de besluitvorming zelfstandig de betrokken belangen op redelijke wijze af te wegen. De concernstrategie legt, tenzij deze gebaseerd zou zijn op een onredelijke afweging tussen het algemeen concernbelang en het meer specifieke belang van de onderneming, daarbij gewicht in de schaal, maar niet per definitie het doorslaggevende. De Ondernemingskamer concludeerde hier dat de ondernemer in zijn adviesaanvraag de gevolgen van de beoogde transactie onvoldoende uiteengezet had en onvoldoende gemotiveerd antwoord had gegeven op de door de ondernemingsraad gestelde vragen. Aan de ondernemer werd daarom de verplichting opgelegd om het besluit in zijn geheel in te trekken.
In zijn bespreking van deze zaak wijst Verburg8 erop dat bij Nedlin in Nederland 500 werknemers werkzaam waren. Deze onderneming vormde onderdeel van de Franse energiegroep Compagnie Générale de Chauffe, die op haar beurt deel uitmaakte van het Franse concern Compagnie Générale des Eaux, een wereldwijd opererende groep die zich richtte op milieu- en textielactiviteiten. De Franse textielondernemingen omvatten 2000 werknemers, aanzienlijk groter dan het Nedlin-belang. Het voorgenomen besluit betrof de afstoting van de textielactiviteiten van Compagnie Générale de Chauffe vanwege de concentratie op de kernactiviteiten van de groep. De ondernemingsraad richtte zich niet tegen verkoop als zodanig, maar wist een alternatieve koper aan te dragen, Rentex, die waarschijnlijk voor de werkgelegenheid van de Nedlin-werknemers een gunstiger scenario in gedachten had. Dat alternatief was voor de ondernemer onbespreekbaar, nu op hoger niveau in het concern de eis was gesteld dat alle textielactiviteiten door de koper tezamen zouden moeten worden overgenomen.9 Verburg meent dat er diverse goede redenen kunnen zijn voor een voorkeur voor verkoop van alle activiteiten aan één koper (prijsstelling, moeilijkere verkoopbaarheid van bepaalde onderdelen, complexiteit van de transactie en beschikbare managementtijd, maximalisering synergieeffecten, werkgelegenheid), maar dat in deze zaak niet duidelijk werd welke redenen de boventoon voerden en dat dit waarschijnlijk heeft geleid tot de voor het concern ongunstige uitslag van de procedure.
Een goed voorbeeld van een tekortschietende eigen afweging van de Nederlandse bestuurder kan worden gevonden in de uitspraak over Watts Industries, een multinationale groep van ondernemingen gericht op fabricage en verkoop van kranen en ventielen.10 De ondernemingsraad kwam in beroep tegen, kort samengevat, het besluit tot verplaatsing van de productie van Nederland naar Frankrijk en stelde dat het bestuur van de Nederlandse vennootschap de concernstrategie vrijwel kritiekloos implementeerde. De Ondernemingskamer stelde vast dat in de adviesaanvraag slechts omzet- en winstgegevens op Europees niveau werden genoemd. Voorts vermelde de adviesaanvraag niet welke rol de Nederlandse vennootschap zelf in de totstandkoming van het besluit had gespeeld, laat staan dat duidelijk werd op welke wijze zij haar belangen had afgewogen tegen die van het concern als geheel. Deze zelfstandige belangenafweging was niet alleen medezeggenschapsrechtelijk vereist, maar had ook voor de hand gelegen, nu recent was besloten juist een deel van de productie weer naar Nederland te halen en dat het besluit de productie te beëindigen gevolgen had voor de kans op behoud van de resterende activiteiten in Nederland. Door het gebrek aan een kenbare belangenafweging door de ondernemer was aannemelijk dat het besluit door de concernleiding was genomen en dat het advies van de ondernemingsraad niet van wezenlijke invloed kon zijn. Het besluit was daarom niet in redelijkheid genomen.
Het principiële karakter van de lijn in de jurisprudentie dat het concernbelang niet altijd doorslaggevend is, laat dus ruimte voor afwijking van de internationale groepsstrategie op Nederlands niveau. Uit die jurisprudentie blijkt wel – zo ben ik met Duk eens – dat het om uitzonderingsgevallen gaat: de ondernemingsraad heeft in beginsel mogelijkheden om invloed uit te oefenen, maar de internationale context maakt het moeilijker deze te benutten. Dit uitzonderingskarakter van de afwijking van internationaal concernbeleid vormt de eerste van drie beperkingen die ik zie wanneer de ondernemingsraad invloed wil uitoefenen op het beleid van buitenlandse internationale concerns: het concernbelang is weliswaar niet doorslaggevend, maar de ondernemingsraad moet met zwaarwegende argumenten komen om het door de concernleiding uitgezette beleid te doorkruisen. De tweede beperking is dat zich in internationaal verband bewegingen kunnen voordoen die indirect inwerken op de Nederlandse onderneming, maar niet kunnen worden gezien als besluiten die haar rechtstreeks raken. Daardoor vallen dergelijke besluiten van de internationale concernleiding niet onder het adviesrecht van de ondernemingsraad. Een derde beperking kan ontstaan bij besluitvorming door de internationale leiding die niet onmiddellijk past in een duidelijke, vooraf bepaalde concernstrategie maar die wel enige mate van invloed heeft op de onderneming in Nederland. In dergelijke situaties lijkt het internationale karakter van die individuele besluiten de rechter soms te nopen tot terughoudendheid bij de beoordeling van de vraag of dat besluit als kennelijk onredelijk moet worden gekwalificeerd. Ik zal deze drie beperkingen nu toelichten.
De eerste beperking: het uitzonderingskarakter van mogelijke afwijking van internationaal concernbeleid
In de zaak Nering Bögel11 ging het om een onderneming op het gebied van watergeleiding en waterbehandeling waarbij 67 werknemers in dienst waren. Nering Bögel maakte deel uit van het internationale concern Freedrain, dat besloten had tot concentratie van in het concern verrichte kernactiviteiten bij bepaalde dochtermaatschappijen. De Ondernemingskamer overwoog dat, hoewel kritiek kon worden geuit op de medezeggenschapsstructuur binnen het concern (het besluit tot wijziging van de concernstrategie was aan geen enkele ondernemingsraad voor advies voorgelegd), niet gebleken was dat het standpunt van de ondernemer onredelijk was. Over de bedrijfseconomische effecten van de strategie kon van mening worden verschild en de door de ondernemingsraad aangevoerde tegenargumenten bleken onvoldoende overtuigend. De Ondernemingskamer besliste dat het feit dat wordt meegewogen dat het om implementatie van het concernbeleid gaat, met zich meebrengt dat de argumenten van de raad om een besluit niet te nemen wel het nodige gewicht moeten hebben. Ook de uitspraken inzake Total12 en RBV Leaf13 zijn aanwijzingen voor de juistheid van de veronderstelling dat het bij een afwijking van het concernbeleid om uitzonderingsgevallen moet gaan. In beide kwesties ging het om een besluit tot overplaatsing van de activiteiten van op zichzelf goed renderende ondernemingen.
In de zaak Total oordeelde de Ondernemingskamer dat op zichzelf juist is dat een gunstige financiële positie van een onderneming meer ruimte biedt voor honorering van werknemersbelangen, hetgeen tot uitdrukking zal moeten komen in de voorwaarden van een sociaal plan. In de zaak Leaf accepteerde de Ondernemingskamer de strategische argumentatie van een besluit tot overname van de productie van kauwgom van de op zichzelf rendabele Amsterdamse vestiging naar een nieuwe productielocatie in Sneek. Die locatie werd onderwerp van een latere procedure over een (vermeend) besluit tot duurzame samenwerking.14 De aandelen van Leaf Holland in Sneek, een onderneming op het gebied van kauwgom en snoepwaren met 140 werknemers, werden gehouden door Leaf International. Leaf International overwoog om de productieactiviteiten van zijn Finse dochtervennootschap te staken en had onderzoek gedaan naar de mogelijkheden om deze te verplaatsen naar Leaf Holland. In een later stadium werd aan de werknemers bekendgemaakt dat Leaf International overwoog om de productie van Finland uit te besteden aan de Deense onderneming Gamlink. De ondernemingsraad kwam tegen dit voornemen in beroep en stelde zich onder meer op het standpunt dat Leaf International en Leaf Holland als medeondernemer voor de toepassing van de WOR moesten worden gezien. De Ondernemingskamer overwoog dat, voor zover al sprake zou zijn van enig besluit, dit slechts betrekking had op de productie van voor de Finse markt vervaardigde kauwgomsoorten. Hierdoor kon geen sprake zijn van een samenwerking tussen Leaf Holland en Gumlink en kon niet worden geconcludeerd dat een eventuele samenwerking betrekking had op de onderneming die door Leaf Holland of Leaf International in stand werd gehouden. Deze zaak illustreert tevens de tweede beperking die zich bij het advies- en beroepsrecht bij buitenlandse internationale concerns kan voordoen.
De tweede beperking: internationale besluiten die indirect inwerken op de Nederlandse onderneming, maar die niet kunnen worden gezien als besluiten die haar rechtstreeks raken
Sommige besluiten van de leiding van een buitenlands internationaal concern kunnen tot de conclusie leiden dat deze de Nederlandse onderneming in het geheel niet raken, dan wel dat van toerekening of medeondernemerschap geen sprake kan zijn omdat (los van de vraag naar stelselmatige invloed) de Nederlandse onderneming niet, of in onvoldoende mate, daarbij betrokken is. Dit probleem wordt goed zichtbaar in de zaken Honeywell en Packard Bell.
Honeywell15 was onderdeel van een wereldwijd opererend concern op het terrein van meet- en regelapparatuur, geleid vanuit de Verenigde Staten. Het bestuur van Honeywell, waar 400 mensen werkten, rapporteerde aan het in Zwitserland gevestigde Europese management van de groep, waarvoor op Europees niveau een Europese ondernemingsraad was ingesteld. Het bestuur en de ondernemingsraad van de onderneming van Honeywell in Emmen hadden een intentieverklaring getekend over de toekomst en de werkgelegenheid van de onderneming. Op een later moment werd aan de ondernemingsraad medegedeeld dat besloten was om twee nieuwe productopstellingen bij de vestiging van Honeywell in Tsjechië te plaatsen. De Ondernemingskamer volgde Honeywell in zijn verweer tegen het door de raad ingestelde beroep tegen dit besluit, dat het besluit tot plaatsing in Tsjechië was genomen door het Europese management van Honeywell en de Nederlandse onderneming daarbij niet betrokken was geweest. Daaruit volgde dat niet was gebleken dat het bestuur van Honeywell in Nederland zelf het besluit tot plaatsing van de productieopstellingen in Tsjechië had genomen of mede had genomen. Het besluit had immers betrekking op de in Tsjechië gevestigde onderneming van het concern, die geen deel uitmaakte van de onderneming in Nederland. Ik acht niet uitgesloten dat de ondernemingsraad gelijk heeft gehad in zijn vermoeden dat plaatsing van de productieopstellingen in Tsjechië (op termijn) zou kunnen leiden tot een mogelijk belangrijke inkrimping van de werkzaamheden van de Nederlandse onderneming. Medezeggenschapsrechtelijk is dit vermoeden niet relevant. Ook al zou een dergelijk besluit indirect invloed hebben op de activiteiten van de Nederlandse onderneming, dan was dit alsnog niet aantastbaar, nu de Nederlandse onderneming niet bij de besluitvorming betrokken was en deze evenmin rechtstreeks daardoor werd geraakt. Hier stuit het Nederlandse medezeggenschapsrecht dus op de grenzen van (de territoriale werking van) de WOR. Deze grenzen worden ook zichtbaar in de zaak Packard Bell.16
Packard Bell was een concern dat zich richtte op de productie en verkoop van computers in de Europese markt met vestigingen in verschillende landen, waaronder Nederland (90 werknemers) en het hoofdkantoor in Frankrijk (410 werknemers). In 2006 waren de aandelen in Packard Bell B.V. verkocht en overgedragen aan de Luxemburgse vennootschap Packard Bell Holding Company S.A.R.L. (hierna: “de holding”) en hield de in Hong Kong gevestigde vennootschap Clifford 75% van de aandelen in de holding. De heer Hui was enig aandeelhouder in het kapitaal van Clifford. Aan de ondernemingsraad van Packard Bell werd in 2007 advies gevraagd over het voornemen tot overdracht door Clifford van de aandelen in de holding aan Lenovo Plc. Deze adviesaanvraag werd nadien ingetrokken en vervangen door een adviesaanvraag over het voornemen tot overdracht van de aandelen aan Gateway. Tussen ondernemer en ondernemingsraad ontstond een geschil over de reikwijdte van de adviesaanvraag, waarbij de raad zich – kort samengevat – op het standpunt stelde dat een besluit was genomen tot (voorwaardelijke) overdracht van de zeggenschap aan Gateway, zonder daarover eerst advies aan de ondernemingsraad te vragen. Volgens de raad had Hui als medeondernemer te gelden en impliceerde de overdracht van de zeggenschap over de holding tevens de overdracht van de zeggenschap over Packard Bell.
Deze stelling werd door de Ondernemingskamer verworpen. Zij stelde voorop dat dit besluit betrekking had op het vervreemden van de door Clifford gehouden aandelen in de holding en zich dus afspeelde op het niveau van de “grootmoedervennootschap” van Packard Bell. De Ondernemingskamer herhaalde dat bij de beantwoording van de vraag of dit besluit te gelden had als een besluit van Packard Bell en of Hui als medeondernemer kon worden beschouwd, niet alleen de relatie waarin Packard Bell tot Hui en Clifford stond bepalend was, maar ook de aard van het besluit en de omstandigheden van het geval. De kamer overwoog dat onvoldoende was gebleken dat Hui of Clifford bij het besluit jegens Packard Bell een positie innam die een van hen stelselmatig een zodanige invloed op besluitvorming binnen Packard Bell verschafte, dat gezegd kon worden dat de onderneming van Packard Bell mede door Hui of Clifford in stand werd gehouden. De omstandigheden dat Hui enig aandeelhouder in het kapitaal van Clifford was, dat Clifford de volledige zeggenschap in de holding had en dat Hui een functie vervulde bij de holding en commissaris was van Packard Bell, waren daarvoor niet zonder meer voldoende. Voorts had de ondernemingsraad onvoldoende toegelicht dat het besluit rechtstreeks en onmiddellijk ingreep in de organisatie of het beleid binnen de onderneming van Packard Bell. Niet aannemelijk was geworden dat enig relevant belang van Packard Bell in Nederland werd getroffen door het besluit en evenmin dat anderszins rechtstreeks effect op die onderneming in Nederland optrad.
Deze beschikking werd gevolgd door een tweede procedure bij de Ondernemingskamer, waarin de vraag centraal stond hoe ver het adviesrecht van de ondernemingsraad reikte: tot de overdracht als zodanig of uitsluitend tot de gevolgen voor de Nederlandse onderneming. De Ondernemingskamer overwoog dat de bewoording van de adviesaanvraag ruimte liet voor de uitleg van de ondernemingsraad dat advies was gevraagd over de overdracht van zeggenschap, maar dat alle daarop volgende correspondentie van de ondernemer er geen misverstand over liet bestaan dat uitsluitend advies was gevraagd over uitvoeringsgevolgen van die voorgenomen overdracht voor de onderneming in Nederland. De ondernemingsraad kon redelijkerwijs niet hebben begrepen dat het besluit tot overdracht van de aandelen in de grootmoedervennootschap als zodanig aan hem ter advisering was voorgelegd. Dat zou, gelet op het vennootschappelijke niveau waarop de verkoop en overdracht zich afspeelde, ook niet gebruikelijk zijn geweest. Aan de ondernemingsraad van de (kleindochter) vennootschap komt in beginsel geen adviesrecht toe over de overdracht van aandelen in de grootmoeder. Dat zou anders kunnen liggen bij puur gekunstelde constructies, maar daarvan was in deze zaak niet gebleken. De ondernemer had voorts in het adviestraject toegezegd dat na de overdracht aan Gateway gedurende achttien maanden een standstill zou worden gehandhaafd en dat het sociaal plan zou worden verlengd. Nu vaststond dat de overdracht niet ingreep in de onderneming in Nederland, kon de ondernemer hiermee volstaan.
Uit deze twee beschikkingen in de zaak Packard Bell blijkt weer het belang dat de Ondernemingskamer hecht aan de aard van het besluit, wil zij tot de conclusie komen dat de ondernemingsraad daarop invloed kan uitoefenen. Als een besluit op hoger (internationaal) niveau is genomen en geen merkbare effecten heeft op de onderneming in Nederland, komt het adviesrecht in beginsel niet aan de orde. Dat is zelfs zo wanneer sprake is van de aanwezigheid van één persoon (zoals de heer Hui) op verschillende beslissingsniveaus in het concern: deze omstandigheid is op zichzelf onvoldoende om tot medeondernemerschap te concluderen. De ondernemingsraad kan in dergelijke gevallen wel een adviesrecht toekomen over de uitvoering van het besluit, maar dit bewerkstelligt niet dat hij het strategische besluit zelf kan beïnvloeden.
Deze lijn in de jurisprudentie van de Ondernemingskamer betekent overigens niet dat de ondernemingsraad in alle gevallen waarin sprake is van internationale strategische besluitvorming met lege handen staat. De zaak VLM Airlines is van dat laatste een voorbeeld.17
In die zaak ging het onder meer om een besluit van VLM België, een onderneming op het terrein van de luchtvaart en onderdeel van de Air France/KLM-groep, tot wijziging van de statuten van haar directe dochtervennootschap VLM Nederland. De wijziging hield in dat de naam van die laatste vennootschap zou worden gewijzigd naar VLM Airlines Personeelsbeheer Nederland B.V. en het doel van de vennootschap zou worden gewijzigd naar een personeelsvennootschap voor VLM België. De Ondernemingskamer oordeelde dat, nu VLM België enig aandeelhoudster en bestuurder van VLM Nederland was en dat VLM Nederland in haar nieuwe bedrijfsmodel slechts werkzaamheden verrichtte voor concernvennootschappen, zodat zij daarvan financieel afhankelijk was, moest worden geoordeeld dat VLM België als medeondernemer van VLM Nederland kon worden beschouwd. De Ondernemingskamer had hier relatief weinig woorden nodig om tot medeondernemerschap te concluderen, omdat zij zich niet liet overtuigen door het verweer van de ondernemer dat de statutenwijziging in wezen een bevestiging was van de al langer bestaande feitelijke situatie en vond dat het besluit een directe invloed had op de onderneming in Nederland.
Dat veranderde in de beschikking VLM II.18 De ondernemingsraad betrok naast VLM Nederland en VLM België nu ook de Ierse moedervennootschap CityJet als medeondernemer in een beroepsprocedure gericht op het besluit tot het stopzetten van de route Eindhoven – London City en het opheffen van de basis Eindhoven voor activiteiten van VLM en verzocht tot het treffen van voorlopige voorzieningen, mede betrekking hebbend op het besluit de vliegrechten (slots) op Eindhoven te verhandelen. De Ondernemingskamer verwierp het onbevoegheidsverweer van CityJet als buitenlandse vennootschap. Zij overwoog dat het beroep op artikel 26 WOR moet worden beschouwd als een geschil over een interne aangelegenheid van een in Nederland in stand gehouden onderneming als bedoeld in de WOR en een dergelijk geschil niet worden aangemerkt als een burgerlijke of handelszaak als bedoeld in artikel 1 lid 1 EEX-Verordening. Een andersluidende opvatting zou meebrengen, dat het stelsel van artikel 25 en 26 WOR in de – frequent voorkomende – gevallen waarin een buitenlandse rechtspersoon de betrokken ondernemer of medeondernemer in de zin van artikel 1 lid 1 aanhef en onder d WOR is, niet voldoende tot zijn recht zou komen. Overigens was dit ook in overeenstemming met de in artikel 5 aanhef en onder 5 EEX-Verordening neergelegde regel dat een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat over een geschil betreffende de exploitatie van een filiaal, van een agentschap of enige andere vestiging, kan worden opgeroepen in een andere lidstaat voor het gerecht van de plaats waar zij gelegen zijn.
Het beroep op medeondernemerschap van CityJet werd door de Ondernemingskamer gepasseerd, onder meer nu zij oordeelde dat het besluit van VLM Nederland niet onredelijk was. In feite had de ondernemingsraad de kern van de redengeving van het besluit en van het verweer – de route Eindhoven-Londen City is structureel verlieslatend – niet (behoorlijk gemotiveerd) bestreden. Dat VLM Nederland als geheel winst zou maken, zoals de ondernemingsraad stelde, betekende niet, dat het staken van onrendabele activiteiten onredelijk zou zijn. Dat de in de groep bestaande constructie (wet lease) meebracht dat CityJet of VLM Airlines de verliezen op de exploitatie van de route Eindhoven – Londen City voor hun rekening namen maakte dit niet anders. Het ging hier niet om de verliezen van VLM Nederland maar van het uitvoeren van de betrokken vluchten. Bovendien betekende de omstandigheid dat als gevolg van de wetleaseconstructie het verlies op de exploitatie van de route geheel of grotendeels ten laste kwam van Cityjet of VLM Airlines niet dat dit verlies slechts een beperkte rol kon spelen bij het besluit tot beëindiging van de route. De ondernemingsraad had nog opgemerkt dat VLM Nederland in weerwil van de vorige beschikking van de Ondernemingskamer (VLM I) volledig was uitgekleed en inderdaad een personeelsuitleenonderneming geworden was. VLM bestreed dat zij in strijd met voormelde beschikking had gehandeld en partijen waren het er volgens de Ondernemingskamer over eens, dat de rol van VLM Nederland zich inmiddels beperkte tot het inzetten van personeel. Die situatie was ook uitgangspunt bij de adviesprocedure en de besluitvorming. De ondernemingsraad had verder niet toegelicht wat de betekenis van de vorige beschikking VLM I voor de huidige situatie was en deze stelling werd verworpen.
De derde beperking: rechterlijke terughoudendheid bij toetsing van individuele besluiten met een internationaal karakter, die niet onmiddellijk passen in een vooraf omschreven strategisch beleid
In het voorgaande heb ik de beperking op de medezeggenschap binnen buitenlandse internationale concerns behandeld, die bestaat uit het vereiste dat de ondernemingsraad zwaarwegende omstandigheden moet aanvoeren om afwijking van het internationale concernbeleid mogelijk te maken en dat hij daarnaast moet aantonen dat de door hem aangevochten besluitvorming direct ingrijpt in de onderneming in Nederland. Ik beschrijf nu situaties waarin een duidelijke strategie leek te ontbreken of (nog) niet was geformuleerd.
In de zaak VNU Publitec,19 een onderdeel van het internationale uitgeefconcern VNU World Directories Inc., waren vier besluiten onderwerp van een geschil tussen ondernemer en ondernemingsraad bij de Ondernemingskamer. Deze besluiten leidden uiteindelijk tot een verlies van 27 van de 61 arbeidsplaatsen. Hier relevant is de beoordeling van het besluit tot het geven van een adviesopdracht aan Boer & Croon om een evaluatie op te stellen van de IT-strategie van VNU World Directories Inc. en de rol van VNU Publitec daarin. De ondernemingsraad stelde dat de Ondernemingskamer oordeelde dat vaststond dat de adviesopdracht was gegeven door VNU World Directories Inc. en dat enige grondslag voor toerekening van dit besluit aan VNU Publitec ontbrak. VNU Publitec had gesteld dat de adviesopdracht betrekking had op de wereldwijde onderneming van VNU World Directories Inc. (met vestigingen in Nederland, België, Ierland, Portugal, Roemenië, Zuid-Afrika en Puerto Rico). Nu het advies betrekking had op de mondiale IT-structuur van VNU World Directories Inc., was er geen plaats voor toerekening van dit besluit aan lager in het concern gesitueerde ondernemingen. Bovendien bestond onvoldoende rechtstreeks verband tussen de adviesopdracht en de in artikel 25 WOR bedoelde adviesplichtige besluiten. De evaluatie van Boer & Croon leidde in deze zaak tot de aanbeveling over te gaan tot outsourcing van activiteiten, die door VNU World Directories Inc. zou worden opgevolgd en dus (indirect) effect zou krijgen op de in Nederland gevestigde onderneming. Dat bracht de Ondernemingskamer niettemin niet tot een ander oordeel, gezien het mondiale karakter van de evaluatie. Deze outsourcing verkeerde volgens de kamer niet in een zodanig stadium dat kon worden gesproken van een voorgenomen besluit van VNU Publitec, doch hoogstens van een strategische keuze van VNU World Directories Inc. die was gebaseerd op een aanbeveling van Boer & Croon. De door de Ondernemingskamer gebruikte term “strategische keuze” impliceert volgens mij dat zij niet dacht aan een vastgesteld strategisch beleid, waarbij het concernbelang tegen het belang van de Nederlandse onderneming moest worden afgewogen, maar van een opzichzelfstaande strategische keuze met een internationaal karakter, waaraan in de Nederlandse onderneming niet de status van (voorgenomen) besluit kon worden toegekend.
In de zaak SSH stond eveneens een transactie centraal die niet zozeer het gevolg was van een vooraf uitgezet beleid, maar de consequentie was van een door de Europese Commissie gestelde voorwaarde.20 Security Services Holding (SSH) behoorde tot een internationale groep van vennootschappen die beveiligingsactiviteiten ontplooiden. De Engelse houdstervennootschap van de groep, G4S, was tot stand gekomen door een fusie van een Deense en een Engelse vennootschap. Deze fusie was destijds door de Europese Commissie goedgekeurd op voorwaarde dat de fuserende partijen een aantal activiteiten zouden afstoten, waaronder de bemande bewakingsdiensten in Nederland. SSH was opgericht om uitvoering te kunnen geven aan de door de Europese Commissie gestelde voorwaarden en de verkoop vond plaats op basis van een veilingprocedure, waarbij de ondernemingsraad bij iedere fase van de procedure werd betrokken. Uiteindelijk ging de voorkeur van de ondernemer uit naar Facilicom, een directe concurrent van SSH, terwijl de ondernemingsraad twee andere overnamekandidaten prefereerde. Het verzet van de raad tegen de keuze voor Facilicom slaagde niet. De Ondernemingskamer oordeelde dat de ondernemer de adviesprocedure zorgvuldig had doorlopen. Zij woog daarin onder meer mee dat voor het doorgaan van de beoogde transactie niet slechts de beoogde contractpartijen hun fiat moesten geven, maar ook de Europese Commissie. Gelet op de ook voor de ondernemingsraad kenbare tijdsdruk die op het adviestraject lag en de dwingende tijdsklem die de Europese Commissie G4S had gesteld, kon niet worden gezegd dat SSH de ondernemingsraad te weinig tijd had gegund om tot een advies te komen. In deze zaak heeft de Ondernemingskamer – in mijn ogen terecht – een grote waarde toegekend aan het gegeven dat de transactie vanwege de voorwaarden vanuit de Europese Commissie noodzakelijk was en het tijdsverloop mede als gevolg van die voorwaarden kort moest zijn. Deze van buiten het concern gestelde, internationale voorwaarden maakten dat de ondernemingsraad niet in zijn negatieve advies werd gevolgd.