Startinformatie in het strafproces
Einde inhoudsopgave
Startinformatie in het strafproces 2014/4.5.3:4.5.3 De Nationale ombudsman
Startinformatie in het strafproces 2014/4.5.3
4.5.3 De Nationale ombudsman
Documentgegevens:
mr. dr. S. Brinkhoff, datum 29-09-2014
- Datum
29-09-2014
- Auteur
mr. dr. S. Brinkhoff
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Voorfase
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De Nationale ombudsman behandelt door burgers ingestelde klachten over bestuursorganen. In relatie tot anonieme meldingen van burgers komt hij meestentijds in beeld als op basis van dergelijke informatie strafvorderlijk overheidsoptreden volgt dat niet leidt tot een strafrechtelijke vervolging, bijvoorbeeld omdat de in de melding genoemde drugs of wapens niet worden aangetroffen. De controle door de ombudsman is aan te merken als externe buitenstrafvorderlijke controle gericht op het handelen van politie en OM op basis van startinformatie. In het merendeel van de rapporten die de ombudsman in dit verband heeft uitgebracht, komt naar voren dat de politie geen aanvullend onderzoek heeft verricht naar aanleiding van een anonieme melding.1 Zo valt uit een rapport uit 2009 af te leiden dat de anonieme melding ziet op de aanwezigheid van een hennepkwekerij. Alleen op basis van deze melding wordt binnengetreden. Een kwekerij wordt niet aangetroffen. De ombudsman oordeelt in zijn rapport vervolgens dat de politie onderzoekshandelingen heeft laten liggen, zoals het meten van het stroomverbruik. De anonieme melding alleen kon in de zienswijze van de ombudsman in casu geen verdenking opleveren en het toepassen van een dwangmiddel dus ook niet rechtvaardigen. De politie heeft door op basis hiervan wel strafrechtelijk te handelen onbehoorlijk opgetreden.
Niet in al de door de ombudsman beoordeelde zaken handelt de politie puur en alleen op basis van een anonieme melding. In de casus die ten grondslag ligt aan het rapport van 10 november 2008 betreedt de politie op basis van art. 9 Ow een woning op basis van een MMA-melding en een (achteraf onjuist blijkende) melding uit een digitaal politie gegevensbestand dat de in de melding genoemde persoon eerder zou zijn veroordeeld in verband met hennep.2 De ombudsman oordeelt dat in casu geen redelijk vermoeden bestond: nu blijkt dat de HKS-melding niet klopt, blijft alleen de MMA-melding over en dat is onvoldoende om het toepassen van dit dwangmiddel op te baseren. De betrouwbaarheid van dat soort anonieme informatie kan immers niet worden vastgesteld, aldus de ombudsman. Bovendien zijn in de ogen van de ombudsman onderzoekshandelingen blijven liggen. Van de politie had mogen worden verwacht, zeker nu het een woning betrof, dat nader onderzoek (infrarood-meting, onderzoek naar geluid mechanische ventilatie, stroommeting) werd verricht naar de geloofwaardigheid van de melding. De ombudsman lijkt met deze laatste overweging impliciet te doelen op de eerder verwoorde, en aan het tweede lid van art. 8 EVRM ontleende, subsidiariteitstoets. 3 In een ander rapport komt, wederom impliciet, de toetsing aan de uit het tweede lid van art. 8 EVRM voortvloeiende subsidiariteits- en proportionaliteitstoets naar voren. In casu komt in december 2004 een anonieme melding binnen bij de politie waarin gewag wordt gemaakt van een weedlucht bij een woning en waarin wordt aangegeven dat zich veel jonge mensen bij de voordeur ophouden. Deze melding wordt aangevuld met waarnemingen van de wijkagent, die aangeeft henneplucht te ruiken en de resultaten van zowel een positieve als een negatieve warmtescan in december 2005. Deze informatie leidt tot het betreden van de woning. De ombudsman oordeelt dat onderzoekshandelingen onbenut zijn gebleven (stroomverbruik had kunnen worden opgevraagd, onderzoek naar geluid mechanische ventilatie, onderzoek of er een kelder is) en dat gelet op het gegeven dat de melding al een jaar oud is er geen redelijk vermoeden bestaat voor de toepassing van het dwangmiddel.
Voorts wordt ook in de rapporten van de ombudsman zichtbaar dat al naar gelang de inhoud van de melding wordt gedifferentieerd in de aan het aanvullende onderzoek te stellen eisen.
In de casus die ten grondslag ligt aan een rapport van 29 december 2009 komt bijvoorbeeld een MMA-melding binnen die ziet op de aanwezigheid van een grote hoeveelheid wapens en explosieven bij de zus van de mogelijke verdachte.4 De melding wordt enigszins geverifieerd: naam en adres blijken te kloppen (de mogelijke verdachte woont wel al 25 jaar niet meer bij zijn zus) en de mogelijke verdachte heeft ook antecedenten op het gebied van de WWM. Een doorzoeking volgt en niets strafwaardigs wordt aangetroffen. De ombudsman oordeelt in zijn rapport dat de politie voldoende moeite heeft ondernomen om de melding te verifiëren. De melding in combinatie met het aanvullende onderzoek kon in de zienswijze van de ombudsman een redelijk vermoeden ex art. 49 WWM opleveren. Dit oordeel van de ombudsman kan gezien de aard van de melding en het verrichte aanvullende onderzoek worden gebillijkt.
Concluderend kan worden gesteld dat de Nationale ombudsman een belangrijke controlerende rol vervult in die gevallen waarin naar aanleiding van een anonieme melding weliswaar strafrechtelijk overheidsoptreden volgt, maar dit optreden niet tot een strafzaak leidt. In een dergelijk geval vindt immers geen rechterlijke controle plaats, terwijl de privacy van (mogelijk) onschuldige burgers wel geschonden is. Verwacht mag worden dat een negatief oordeel van de ombudsman omtrent het handelen van de politie in dergelijke zaken enig effect zal sorteren binnen politie en OM.