Einde inhoudsopgave
Pandrecht op aandelen (O&R nr. 140) 2023/2.7.3
2.7.3 Derdenbescherming bij beschikkingsonbevoegdheid
mr. T. Hutten, datum 01-05-2023
- Datum
01-05-2023
- Auteur
mr. T. Hutten
- JCDI
JCDI:ADS706318:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Insolventierecht (V)
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De wetstekst luidt immers ‘een vroegere overdracht’. Zie hierover Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2019/178; Snijders/Rank-Berenschot 2017/385; Bartels & Tweehuysen 2011.
Enkel een verklaring van de pandgever is onvoldoende, zie HR 17 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0168, r.o. 3.4.2 (Oryx/Van Eesteren).
Zie Kamerstukken I 1991/92, 21 155, nr. 211b, p. 1.
Kamerstukken I 1991/92, 21 155, nr. 211b, p. 2, waarin de voorbeelden die ik noem, worden vermeld. Zie ook Handelingen I 1991/92, 21 155, nr. 34-1557, p. 13-24.
In gelijke zin Asser/Van Olffen & Rensen 2-IIa 2019/370; Wolf, in: GS Rechtspersonen, art. 2:196a BW, aant. 4 (actueel t/m 22-04-2020); Buijn/Storm 2013/4A.9; Schwarz 1997, p. 125; Ter Huurne 1994, p. 181-183, Van Steenderen/Ten Brink 1992, p. 307. Anders Van Schilfgaarde/Winter, Wezeman & Schoonbrood 2022/33; Perrick 2020/16.4; Dortmond 2013/179; Grundmann-Van de Krol 1994, p. 48-49.
38. Vestigt een beschikkingsonbevoegde een pandrecht op een aandeel, dan ontstaat er in beginsel geen pandrecht. Dat is anders wanneer de pandhouder tegen deze onbevoegdheid wordt beschermd. Op verschillende gronden kan een pandhouder bescherming toekomen. Een eerste grond volgt uit de artikelen 3:98 jo. 3:88 BW.
Voor de bescherming op grond daarvan is vereist dat de pandhouder te goeder trouw heeft aangenomen dat de pandgever bevoegd was het pandrecht te vestigen. Daarvan is sprake als hij met de onbevoegdheid van de pandgever onbekend was en hij dit ook niet had hoeven weten (art. 3:11 BW).1 Daarbij rijst de vraag wanneer de pandhouder te goeder trouw moet zijn. Het past mijns inziens het best bij de in de wet geregelde vergelijkbare gevallen om aan te sluiten bij het moment van de betekening van de pandakte aan de vennootschap, dan wel het moment waarop de vennootschap de verpanding erkent.2 Dit moment lijkt het meest op het moment dat relevant is bij de verpanding van vorderingen: het moment van mededeling aan de debiteur (art. 3:239 lid 4 jo. 3:88 BW). Dat voor aandelenverpanding eenzelfde moment geldt, ligt mijns inziens in de rede nu uit parlementaire geschiedenis kan worden afgeleid dat op dit punt eenheid tussen aandelen op naam en vorderingen op naam is beoogd.3
Voor de bescherming op grond van artikel 3:98 jo. 3:88 BW is naast goede trouw nodig dat de beschikkingsonbevoegdheid van de pandgever voortvloeit uit een eerdere overdracht die ongeldig is wegens een titel- of een leveringsgebrek. Dit kan gaan om een gebrek in de overdracht van het aandeel aan de aandeelhouder, maar ook om een gebrek in een aandelenoverdracht die daaraan is voorafgegaan.4
Ik verduidelijk de toepassing van artikel 3:98 jo. 3:88 BW met enkele voorbeelden. Wanneer A zijn aandelen verkoopt en levert aan B, en A vervolgens dezelfde aandelen verpandt aan C, dan was A bij de verpanding onbevoegd. C heeft in dit geval geen geldig pandrecht verkregen, omdat hij geen bescherming kan ontlenen aan artikel 3:98 jo. 3:88 BW. Ongeacht of C te goeder trouw is, is de onbevoegdheid van pandgever A het gevolg van een geldige overdracht (aan B) en niet van een ‘ongeldige vroegere overdracht’. Dit is ook de reden dat een pandhouder niet op grond van artikel 3:98 jo. 3:88 BW zal worden beschermd tegen een pandgever die beperkt beschikkingsbevoegd is, bijvoorbeeld omdat de aandelen al eerder waren verpand. De beperkte beschikkingsbevoegdheid volgt immers niet uit een ongeldige eerdere overdracht, maar uit een geldige eerdere verpanding.
Stel dat A zijn aandelen verkoopt en levert aan B, en B deze aandelen verpandt aan C. Wanneer naderhand de titel die ten grondslag lag aan de overdracht A-B wordt vernietigd op grond van dwaling, dan wordt C, wanneer hij te goeder trouw is, beschermd op grond van artikel 3:98 jo. 3:88 BW. B’s onbevoegdheid om de aandelen te verpanden is namelijk het gevolg van een ongeldige overdracht tussen hem en A. B was achteraf bezien beschikkingsonbevoegd. Zijn beschikkingsonbevoegdheid kwam door een ongeldige vroegere overdracht die niet het gevolg was van onbevoegdheid van de toenmalige vervreemder, namelijk de ongeldige overdracht tussen A en B die het gevolg was van een titelgebrek. De titel A-B is immers door vernietiging met terugwerkende kracht komen te vervallen (art. 3:53 BW).
39. Een andere grond waaraan een pandhouder in een uitzonderlijk geval derdenbescherming zou kunnen ontlenen, is artikel 3:36 BW. Het bepaalt dat tegen hem die als derde op grond van een verklaring of gedraging, overeenkomstig de zin die hij daaraan onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mocht toekennen, het ontstaan, bestaan of tenietgaan van een bepaalde rechtsbetrekking heeft aangenomen en in redelijk vertrouwen op de juistheid van die veronderstelling heeft gehandeld, geen beroep kan worden gedaan door degene om wiens verklaring of gedraging het gaat op de onjuistheid van die veronderstelling. Bij de verpanding van aandelen houdt dat in dat wanneer de quasi-pandhouder door een verklaring of gedraging van een ander dan de quasi-pandgever in redelijkheid erop mocht vertrouwen – en dat ook daadwerkelijk deed – dat hij een (eersterangs) pandrecht had verkregen, deze andere geen beroep toekomt op de beschikkingsonbevoegdheid van de pandgever.5
Een voorbeeld van een geval waarin artikel 3:36 BW een pandhouder mijns inziens bescherming biedt, is die waarin A eerst zijn aandelen (stil) verpandt aan B, en later een eersterangs pandrecht vestigt ten gunste van C. In dat geval was pandgever A onbevoegd om de aandelen onbezwaard te verpanden, waardoor C in beginsel een tweederangs pandrecht verkrijgt. Wanneer B echter voorafgaand aan de verpanding aan C heeft verklaard geen pandrecht op die aandelen te hebben, en pas na verpanding aan C haar pandrecht openbaart, kan B jegens C mijns inziens geen beroep doen op A’s eerdere onbevoegdheid tot vestiging van een eersterangs pandrecht. Dit heeft tot gevolg dat C’s latere pandrecht voorgaat op dat van B.
- Geen bescherming door af te gaan op het aandeelhoudersregister
40. Een pandhouder kan geen bescherming tegen beschikkingsonbevoegdheid van de pandgever ontlenen aan artikel 2:86a/196a lid 3 BW. Deze artikelen bepalen dat wanneer er na levering of verpanding geen wijziging in het register van aandeelhouders plaatsvindt, de levering of verpanding niet kan worden tegengeworpen aan de vennootschap of anderen die te goeder trouw zijn afgegaan op het aandeelhoudersregister. Op het eerste oog lijkt van de bepaling een ruime bescherming uit te gaan, maar uit de wetsgeschiedenis blijkt mijns inziens het tegendeel.
De invoering van artikel 2:86a/196a lid 3 BW werd noodzakelijk geacht omdat vanaf 1993 de bekendheid van de vennootschap met de overdracht of bezwaring – anders dan daarvoor – geen constitutief vereiste meer zou vormen voor overdracht of bezwaring (§2.2). Men had met de regeling de situatie op het oog waarin een geldige aandelenoverdracht had plaatsgevonden, maar de verkrijger zijn aandeelhouderschap tegenover de vennootschap en anderen verborgen hield door de akte of een geldig bewijs daarvan niet aan de vennootschap te betekenen en ook niet om erkenning te verzoeken.6 Wanneer dan achteraf zou blijken dat de vervreemder is meegeteld bij de toepassing van de geschillenregeling, de uitkoopregeling of het enquêterecht, of de vervreemder zou hebben deelgenomen aan een stemming in de algemene vergadering, dan zou overdracht of bezwaring wat de geldigheid daarvan betreft geen gevolgen mogen hebben.7
41. De door de wetgever beoogde strekking van artikel 2:86a/196a lid 3 BW is mijns inziens dat de vennootschap en de andere bij de vennootschap betrokken personen bij vennootschapsrechtelijke kwesties de in het aandeelhoudersregister ingeschreven persoon als aandeelhouder mogen beschouwen. De beschikkingsbevoegdheid van een pandgever, een goederenrechtelijke kwestie, valt mijns inziens buiten het toepassingsbereik van het artikel.8