Einde inhoudsopgave
Belastingheffing over particulierpensioen en overheidspensioen in grensoverschrijdende situaties (FM nr. 144) 2015/2.2.3.2
2.2.3.2 Fiscale behandeling
dr. B. Starink, datum 01-02-2015
- Datum
01-02-2015
- Auteur
dr. B. Starink
- JCDI
JCDI:ADS350512:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Inkomen uit werk en woning (box 1) - niet-winst
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Loonbelasting / Pensioenregeling
Voetnoten
Voetnoten
E. Whitehouse, The tax treatment of funded pensions, World Bank Pension Reform Primer, Washington D.C. (USA): The World Bank 1999, p. 3.
Nut en noodzaak van het EET-systeem wordt overigens regelmatig ter discussie gesteld of is onderwerp van discussie. Zo stelt de Europese Commissie dat de kosten van het EET-systeem aanzienlijk zijn en er vraagtekens gezet kunnen worden bij de doelmatigheid ervan. Zie Groenboek pensioenen van de Europese Commissie, 7 juli 2010, COM(2010)365 definitief. Voor een economische visie op het EET-systeem wordt onder andere verwezen naar S.J.G. van Wijnbergen, Nederland weer aan het werk, ESB 1998/4134; H.A. Keuzenkamp, De omkeerregel onder vuur, ESB 1998/4136 en P.J. Besseling en A.L. Bovenberg, Belasting op pensioenbesparingen: nu, later of nooit, ESB 1998/4138.
R. Holzmann en R. Hinz, Old-age Income Support in the 21st Century, an international Perspective on Pension Systems and Reform, Washington D.C. (USA): The World Bank 2005, p. 119. De auteurs stellen dat een EET-systeem ervoor zorgt dat burgers gestimuleerd worden om huidig inkomen om te zetten in toekomstig inkomen en zo te zorgen voor een adequaat inkomen in de postactieve fase.
Een voorstel dat ook in Nederland actueel is. In geschrift nummer 242 van de Vereniging voor Belastingwetenschap wordt een voorstel voor een arbeidsvormneutraal pensioenkader gedaan waarbij de fiscale ruimte voor premieaftrek niet per jaar verdampt maar cumulatief tot aan de pensioendatum kan worden benut. Commissie Oudedagsvoorziening, Fiscale behandeling van oudedagsvoorzieningen: het kan beter, eerlijker, efficiënter en eenvoudiger (Geschriften van de Vereniging voor Belastingwetenschap nr. 242), Deventer: Kluwer 2011.
Zoals later in hoofdstuk 3 echter zal blijken leidt het EET-systeem naar mijn mening niet tot fiscale ondersteuning.
Sinds 2008 wordt excessieve pensioenopbouw fiscaal onaantrekkelijk gemaakt. Het EET-systeem geldt evenwel nog ongemaximeerd. Tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel is wel gesproken over limitering van het EET-systeem. Zie ook G.J.B. Dietvorst en B. Starink, Aanpak excessieve pensioen en vertrekvergoedingen: effectief of symboliek?, WFR 2008/6772. Zie tevens het rapport van de Commissie inkomstenbelasting en toeslagen, Naar een activerender belastingstelsel, interim-rapport, oktober 2012, waarin wordt voorgesteld het pensioengevend inkomen fiscaal te maximeren op circa € 62.500. Ten slotte de invoering van de Wet verlaging maximumopbouw- en premiepercentages pensioen en maximering pensioengevend inkomen, Stb. 2014, 196, waarin een maximering van het pensioengevend inkomen van € 100.000 is opgenomen.
Wet verlaging maximumopbouw- en premiepercentages pensioen en maximering pensioengevend inkomen, Stb. 2014, 196.
Artikel 5.16c, vierde lid, Wet IB 2001 (tekst 2015).
Uitgaande van de positiefrechtelijke situatie dat een aanspraak op grond van de hoofdregel belast is.
In dezelfde zin H.J.Meijer, Omkeerregelingen, WFR 1987/377 (e.v.), onderdeel 2. Hij onderbouwt met rekenvoorbeelden de onbelaste renteaangroei bij het hanteren van de omkeerregel.
De Nederlandsche Bank, De omkeerregel voor pensioenopbouw en de inkomensverdeling, Kwartaalbericht september 2007, grafiek 1, p. 59.
Een EET-systeem leidt tot hogere pensioenbesparingen en voorkomt daarmee armoede bij ouderen, het draagt bij aan een redelijke levensstandaard na pensionering en het verlaagt de kosten van de sociale zekerheid omdat burgers gestimuleerd worden te sparen voor pensioen.1 Daarnaast beschermt een EET-systeem burgers tegen een inconsequente overheid die besluit pensioenuitkeringen te belasten terwijl de inleg nooit aftrekbaar is geweest. Wat niet onbelangrijk is, is dat het EET-systeem het beste aansluit bij de inkomensbeleving van burgers en meer in lijn is met het draagkrachtbeginsel dan bijvoorbeeld een TEE-systeem. Dat laatste komt overigens uitvoerig in het volgende hoofdstuk aan bod.
Een TEE-systeem kent evengoed voordelen zoals het feit dat emigratie na pensionering in combinatie met een woonlandheffing geen inbreuk maakt op de al dan niet aanwezige fiscale coherentie.2 Van belang hierbij is dat het bestaan van het EET-systeem de voornaamste oorzaak is van de problematiek die in dit onderzoek centraal staat: de verdeling van heffingsrechten over grensoverschrijdende pensioenuitkeringen.
De voordelen van het EET-systeem zijn overtuigender dan die van het TEE-systeem. Uit onderzoek blijkt dat een EET-systeem in grotere mate dan andere systemen zoals het TEE-systeem bijdraagt aan een adequaat pensioensysteem met alle voordelen van dien.3
De exacte omvang van het EET-systeem is van ondergeschikt belang. Uitgangspunt is dat iedere burger door middel van het EET-systeem in staat wordt gesteld een adequate oudedagsvoorziening op te bouwen. Ook is een grote flexibiliteit in de (fiscale) ruimte voor pensioenstortingen nodig.4 De Nederlandse wetgever is in ieder geval van mening dat fiscale ondersteuning niet geboden hoeft te worden vanaf een niveau waarbij de pensioenopbouw overwegend de functie heeft van fiscaal gefacilieerde vermogensopbouw.5 Deze discussie wordt zo nu en dan in Nederland gevoerd.6 De Nederlandse wetgever heeft voor inkomen van meer dan € 100.000 pensioenopbouw op basis van het EET-systeem losgelaten en is overgestapt naar het TEE-systeem.7 Daarmee worden toekomstige belastinginkomsten naar voren gehaald. Omdat de wetgever problemen voorzag bij de belastingheffing over grensoverschrijdende TEE-pensioenen, is het recht op afkoop van het TEE-pensioen geïntroduceerd bij emigratie.8
Gezien het inkomensvervangende karakter van pensioen hoeft pensioenopbouw niet hoger te zijn dan het inkomen voorafgaand aan pensionering. Of daarbij een inkomensmaximum in aanmerking genomen moet worden is irrelevant voor dit onderzoek. Deze discussie zou ook voor de overheden niet relevant moeten zijn omdat het EET-systeem in wezen budgetneutraal is voor overheden, abstraherend van verschillen in belastingtarieven in de opbouw- en uitkeringsfase alsmede de belastingheffing over het rendement in de opbouwfase. Immers, met het niet-belasten van de aanspraak verstrekt de overheid in wezen een renteloze lening aan de werknemer.9 Daar staat tegenover dat de waardeaangroei in de uitkeringsfase wordt belast. Uitgaande van eenzelfde disconteringsvoet als het verwacht rendement op de ingelegde pensioengelden, wegen deze twee grootheden exact tegen elkaar op, rekening houdend met de tijdswaarde van geld. Wederom, indien geen rekening wordt gehouden met het feit dat bij de hoofdregel het behaalde rendement over de waarde van de netto-aanspraak in wezen belast zou moeten zijn. Ter illustratie een voorbeeld, abstraherend van box III-heffing:
Storting in pensioenregeling:
€ 1.000
Rente/rendement:
4%
Uitstelperiode:
30 jaar
Belastingtarief:
52%
Nu belasting betalen over inleg: € 1.000 x 52% = € 520 inkomstenbelasting.
In toekomst belasting betalen over uitkering: € 1.000 x 1,04^30 = € 3.244. € 3.244 x 52% = € 1.687 inkomstenbelasting. De contante waarde per heden is € 1.687 / (1,04^30) = € 520.
De begrotingsregels in Nederland gaan echter niet uit van netto contante waardes van bijvoorbeeld toekomstige belastingopbrengsten maar van een kasstelsel op basis van de Comptabiliteitswet 2001. Dit betekent dat voor begrotingsdoeleinden een hogere belastingopbrengst in bijvoorbeeld 2014 welke volledig zou worden gecompenseerd door een belastingderving in bijvoorbeeld 2020, volledig als opbrengsten in 2014 mag worden geboekt ondanks dat in wezen slechts sprake is van een verschuiving van belastingopbrengsten in de tijd. Deze systematiek is verklaarbaar, onder andere omdat de politiek anders bezuinigingen consequent zou kunnen uitstellen en verrekenen met toekomstige (onzekere) belastingopbrengsten. Dit verklaart overigens de wens van wetgevers om toekomstige belastingopbrengsten naar voren te halen ter dekking van tekorten. Echter, financieel-objectief kan in dergelijke situaties niet van een ‘opbrengst’ worden gesproken. Het budgettaire effect van huidige versus toekomstige belastingheffing (CP) is derhalve nihil maar in het kader van begrotingsregels allerminst.
In de situatie dat bij belastingheffing over de inleg (conform het TTE-systeem) de rendementsaangroei jaarlijks belast is, leidt het EET-systeem uiteraard tot een totale lagere belastingheffing maar dit betekent niet dat het EET-systeem een subsidie of faciliteit is.10 Daarover meer in hoofdstuk 3. Een per saldo eventueel lagere belastingopbrengst door hantering van het EET-systeem dan door hantering van het TEE-systeem is het gevolg van andere kenmerken van een belastingstelsel zoals lagere tarieven na pensionering.
Uit onderstaande tabel van DNB11 blijkt weliswaar dat het EET-systeem met name voor hogere inkomenscategorieën tot een voordeel leidt ten opzichte van het TEE-systeem. Echter, dit voordeel wordt niet veroorzaakt door het EET-systeem maar door het progressieve belastingstelsel en de tariefdifferentiatie voor en na de AOW-gerechtigde leeftijd.
Grafiek 1 Voordeel omkeerrregel naar inkomen
Een goed functionerend EET-systeem vereist overigens tevens dat de uiteindelijke pensioenuitkering in de reguliere inkomstenbelasting wordt betrokken. Dat betekent dat geen sprake kan zijn van een (aanzienlijk) lagere heffing in de uitkeringsfase dan het algemeen van toepassing zijnde belastingtarief voor inkomsten uit niet-zelfstandige beroepen; voldoende heffing dus. Ten slotte is een begrijpelijk en duidelijk EET-systeem debet aan het vertrouwen van burgers in het pensioensysteem in zijn algemeenheid en het bijbehorende EET-systeem in het bijzonder.