Einde inhoudsopgave
De verbintenisrechtelijke bescherming van de kleine opdrachtnemer (MSR nr. 85) 2023/4.5
4.5 Schematisch overzicht beschermingsniveau en toelichting
N.M.Q. van der Neut, datum 22-09-2023
- Datum
22-09-2023
- Auteur
N.M.Q. van der Neut
- JCDI
JCDI:ADS855318:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Daaronder versta ik: het verbintenissenrecht biedt niet of nauwelijks afwijkende bescherming ten opzichte van de afdeling inzake de opdracht (afd. 7.7.1 BW) en de algemene bepalingen uit Boek 6 BW die geen open norm kennen.
Dat wil zeggen: de verbintenisrechtelijke bescherming zit tussen die uit de afdeling inzake de opdracht (afd. 7.7.1 BW) en de algemene bepalingen uit Boek 6 BW die geen open norm kennen (laag beschermingsniveau) en de regeling inzake de arbeidsovereenkomst (titel 7.10 BW) (hoog beschermingsniveau) in.
Daarmee bedoel ik: de verbintenisrechtelijke bescherming is meer dan, gelijk aan of komt in de buurt van die uit de regeling inzake de arbeidsovereenkomst (titel 7.10 BW).
Dat wil uiteraard niet zeggen dat de opdrachtnemer ook daadwerkelijk beter wordt beschermd dan de werknemer. De werknemer geniet immers ook andere (opzeggings)bescherming, zowel tegen de opzegging zelf als financieel gezien.
Hieronder zal ik schematisch de aanvullende verbintenisrechtelijke bescherming van de opdrachtnemer aan de onderkant ten aanzien van het thema opzegging inzichtelijk maken. Die aanvullende bescherming geef ik vervolgens een beoordeling. Die beoordeling vindt plaats aan de hand van het door mij ontwikkelde toetsingskader en kent drie niveaus: een ‘laag beschermingsniveau’,1 een ‘gemiddeld beschermingsniveau’2 en een ‘hoog beschermingsniveau’3 (zie paragraaf 1.3.1).
Tabel 3. ‘Beschermingsniveau opzegging’
Bescherming alle opdrachtnemers
Bescherming titel 7.10 BW
Aanvullende bescherming opdrachtnemer aan de onderkant
Korte verklaring
(Mogelijk) knelpunt voor opdrachtnemer aan de onderkant
Opzegbevoegdheid
/
Reden opzegging van werkgever wordt in principe vooraf in rechte getoetst
Laag
Opzegbevoegdheid van opdrachtgever wordt zelden ingeperkt
/
Opzegtermijn
/
Recht op opzegtermijn
Hoog
Bij duurovereenkomst in de regel recht op opzegtermijn
Recht op opzegtermijn kan contractueel worden uitgesloten of beperkt
Opzegvergoeding (loon na opzegging en aanvullende (schade)vergoeding)
Recht op het in redelijkheid vast te stellen deel van het loon of het volle loon na opzegging
Aanvullende (schade)vergoeding: /
Recht op loon tot datum uitdiensttreding
Recht op transitievergoeding
Laag
Niet vaak recht op (aanvullende) (schade)vergoeding bij opzegging
Recht op loon na opzegging kan contractueel worden uitgesloten of beperkt
Een korte verklaring van tabel 3 volgt hierna. Na deze toelichting maak ik een ‘eindbeoordeling’ van het aanvullende verbintenisrechtelijke beschermingsniveau van de opdrachtnemer aan de onderkant ten aanzien van het thema opzegging.
Opzegbevoegdheid
De aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid kan meebrengen dat de bevoegdheid van de opdrachtgever om de duurovereenkomst te kunnen opzeggen, wordt ingeperkt (artikel 6:248 lid 1 BW) (zie paragraaf 4.3.1.1). Aan die opzegging kan namelijk de eis van een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging worden verbonden. Uit onder andere mijn rechtspraakonderzoek trek ik – met enige voorzichtigheid – de conclusie dat de opdrachtnemer slechts onder uitzonderlijke situaties wordt beschermd tegen de opzegging zelf, nu de opzegbevoegdheid van de opdrachtgever zelden wordt beperkt (zie paragraaf 4.3.1.1). Het beschermingsniveau van de opdrachtnemer tegen de opzegging zelf heb ik daarom als ‘laag’ aangeduid. Daarmee zeg ik niet dat ik ook een knelpunt heb geïdentificeerd. Er bestaan namelijk goede argumenten waarom de bescherming van de opdrachtnemer aan de onderkant doorgaans moet worden gezocht in de financiële voorwaarden waaronder kan worden opgezegd en niet in (de beperking van) de opzegbevoegdheid van de opdrachtgever (zie paragraaf 4.3.1.1). Het beschermingsniveau ‘laag’ betekent dus niet automatisch dat er te weinig bescherming is.
Opzegtermijn
De aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid kan meebrengen dat de opdrachtgever verplicht is een opzegtermijn in acht te nemen als hij de duurovereenkomst van opdracht wil opzeggen (artikel 6:248 lid 1 BW) (zie paragraaf 4.3.2.1). Sterker nog, uit mijn analyse van de feitenrechtspraak lijkt te volgen dat dit het uitgangspunt is (zie paragraaf 4.3.2.1). De lengte van de opzegtermijn moet ook worden bepaald aan de hand van de eisen van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 1 BW) (zie paragraaf 4.3.2.1). Dat kan zelfs meebrengen dat deze termijn langer is dan de opzegtermijn die de opzeggende werkgever in acht moet nemen (artikel 7:672 lid 2 BW), omdat de lengte daarvan uitsluitend is gekoppeld aan de duur van de overeenkomst en andere omstandigheden van het geval bij de vaststelling van deze lengte niet kunnen worden meegenomen (zie paragraaf 4.4.2). Anders gezegd: de opgezegde opdrachtnemer kan onder omstandigheden worden beschermd door een langere opzegtermijn dan de opgezegde werknemer.4 Dat leidt tot de beoordeling ‘hoog beschermingsniveau’. Niettemin bestaat er in dit kader een mogelijk knelpunt: het recht op een opzegtermijn kan contractueel worden uitgesloten of beperkt (zie paragraaf 4.4.2.1).
Opzegvergoeding
De opzegvergoeding valt in dit onderzoek uiteen in het recht op loon en een (aanvullende) (schade)vergoeding. Met betrekking tot het recht op loon volgt enige bescherming uit de regeling inzake de opdracht: de opgezegde opdrachtnemer kan aanspraak maken op het in redelijkheid vast te stellen deel van het loon (artikel 7:411 lid 1 BW) of het volle loon (artikel 7:411 lid 2 BW) (zie paragraaf 4.2.3.1). Aanvullende bescherming wordt in dit kader niet geboden. Dat lijkt ook niet noodzakelijk, maar het gevaar dat in dit verband schuilt, is dat partijen een van artikel 7:411 BW afwijkende afspraak over de verschuldigdheid van loon bij opzegging kunnen overeenkomen ten nadele van de opdrachtnemer. Het regelende karakter van artikel 7:411 BW beschouw ik als mogelijk knelpunt (zie paragraaf 4.2.3.1). Ten aanzien van de (aanvullende) (schade)vergoeding geldt dat deze uit de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid kan voortvloeien (artikel 6:248 lid 1 BW), al komt de opdrachtnemer daar niet vaak voor in aanmerking (zie paragraaf 4.3.3.1). Toch zie ik dit niet als knelpunt. Bij de vaststelling van de lengte van de opzegtermijn wordt namelijk rekening gehouden met de redelijkheid en billijkheid (zie paragraaf 4.3.3.1), waardoor de opzegtermijn de opdrachtnemer in principe voldoende compenseert en een (aanvullende) (schade)vergoeding meestal niet nodig is om recht te doen aan de feitelijke situatie (zie paragraaf 4.3.3.1). Pas als partijen een opzegtermijn en de lengte daarvan zijn overeengekomen (zie paragraaf 4.3.2.2) of zich uitzonderlijke gevallen voordoen, lijkt de opdrachtnemer voor zo’n vergoeding in aanmerking te komen (zie paragraaf 4.3.3.1). Al met al etiketteer ik het aanvullende beschermingsniveau van de opdrachtnemer aan de onderkant op het gebied van de opzegvergoeding als ‘laag’, omdat de bepaling over het recht op loon na opzegging – en daarmee de bescherming die daaruit voortvloeit – geldt voor alle opdrachtnemers en omdat de opdrachtnemer aan de onderkant slechts sporadisch aanspraak kan maken op een (aanvullende) (schade)vergoeding.
Eindoordeel thema opzegging
De beschermingsniveaus op de deelterreinen opzegging heb ik twee keer als ‘laag’ en één keer als ‘hoog’ bestempeld. Een logisch gevolg daarvan zou zijn dat mijn eindbeoordeling van het thema opzegging zou uitkomen op een ‘gemiddeld beschermingsniveau’ dat ietwat naar ‘laag’ neigt. Hoewel ik op het eindoordeel ‘gemiddeld’ uitkom, zou ik – om een vertekend beeld te voorkomen – niet willen zeggen dat het beschermingsniveau naar ‘laag’ neigt. Dat hangt mede samen met het feit dat ik ‘slechts’ twee mogelijke knelpunten heb ontdekt, beide bestaande uit de vrijheid die partijen hebben bepaalde bescherming weg te contracteren.