Einde inhoudsopgave
Het beheerplan voor Natura 2000-gebieden (SteR nr. 17) 2014/7.3.7
7.3.7 Herziening en verlenging van bestemmingsplannen
mr. drs. S.D.P. Kole, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. drs. S.D.P. Kole
- JCDI
JCDI:ADS444942:1
- Vakgebied(en)
Natuurbeschermingsrecht / Algemeen
Natuurbeschermingsrecht / Gebiedsbescherming
Natuurbeschermingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Art. 3.1, lid 2 jo art. 3.8 Wro. In dat geval moet het plan uiteraard ook aan de toets van art. 19j, lid 1 Nbw 1998 worden onderworpen.
Van Buuren e.a. 2010, p. 119. In recente grootschalige onderzoeken naar het functioneren van de Wro is geen aandacht aan deze kwestie besteed. Zie bijvoorbeeld Planbureau voor de Leefomgeving 2010, p. 54 en Planbureau voor de Leefomgeving 2012.
Art. 4.4, lid 1 jo 4.2, lid 1 jo art. 3.8, lid 6 Wro (aanwijzing) en art. 3.26 jo. 3.28 Wro (inpassingsplan).
Art. 3.1, lid 3 Wro.
In vergelijkbare zin: Kamerstukken II 2004-2005, 28916, nr. 14 (nota naar aanleiding van het nader verslag), p. 16.
Een vastgesteld bestemmingsplan moet binnen tien jaar worden herzien. Daarop is de bestemmingsplanprocedure van toepassing.1 In het kader van de herziening wordt overwogen of het bestemmingsplan nog actueel is. In de praktijk wordt de herzieningsplicht slecht nageleefd.2 Dat betekent dat in veel gemeenten wordt gewerkt met verouderde bestemmingsplannen. Dit kan problemen opleveren wanneer een Natura 2000-gebied (mede) met behulp van een bestemmingsplan wordt beschermd. Als aan een Natura 2000-gebied (nog) niet de bestemming ‘natuur’ is toegekend en/of als een aanpassing van instandhoudingsdoelstellingen van habitats en soorten (nog) niet in het bestemmingsplan is verwerkt, kan dit ten koste gaan van de mogelijkheden om een Natura 2000-gebied te beschermen.
Dit roept de vraag op wat moet gebeuren wanneer de bovenstaande situatie zich in de praktijk voordoet. De Wro bevat alleen de verplichting om een bestemmingsplan binnen tien jaar nadat een plan is vastgesteld te herzien. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan vormt een goede ruimtelijke ordening het uitgangspunt. Dit principe zal doorgaans in het geding zijn wanneer in een bestaand bestemmingsplan niet of onvoldoende rekening is gehouden met de ligging van een Natura 2000-gebied. In dat geval moet de gemeenteraad het betreffende bestemmingsplan herzien. In gevallen waarin dit wordt nagelaten kunnen de Minister van I&M of Provinciale Staten reageren door het uitvaardigen van een aanwijzing of het vaststellen van een inpassingsplan.3
De gemeenteraad kan ook beslissen om een bestaand bestemmingsplan met tien jaar te verlengen. De bevoegdheid daartoe bestaat indien de gemeenteraad van oordeel is dat de in het bestemmingsplan aangewezen bestemmingen en de met het oog daarop gegeven regels nog in overeenstemming zijn met een goede ruimtelijke ordening.4 Logischerwijs is het niet mogelijk om van de verlengingsbevoegdheid gebruik te maken indien in een bestaand bestemmingsplan niet of onvoldoende rekening is gehouden met de aanwezigheid van een Natura 2000-gebied (of Natura 2000-gebieden) in het bestemmingsplangebied. Het doel van de verlengingsbevoegdheid is tweeledig. Voor zover de gemeenteraad geen aanleiding ziet om het bestemmingsplan aan te passen, vormt het een eenvoudige mogelijkheid om het bestaande plan te verlengen. Aan de andere kant is het de bedoeling dat verouderde bestemmingsplannen worden vervangen. Het verlengen van een bestemmingsplan is volgens de wetgever aan de orde bij laagdynamische gebieden, zoals binnenstedelijke gebieden, natuurgebieden en andere buitengebieden, waarvoor een conserverend bestemmingsplan is vastgesteld. In algemene zin zijn de mogelijkheden om een bestemmingsplan voor een laagdynamisch gebied te verlengen, niet onbeperkt. Daarbij moet worden gewezen op de (theoretische) mogelijkheid dat milieunormen en/of de instandhoudingsdoelstellingen van habitats en soorten worden aangepast.5