Einde inhoudsopgave
Het beheerplan voor Natura 2000-gebieden (SteR nr. 17) 2014/7.3.3
7.3.3 Bestemmingsplan en de toets van artikel 19j Nbw 1998
mr. drs. S.D.P. Kole, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. drs. S.D.P. Kole
- JCDI
JCDI:ADS443716:1
- Vakgebied(en)
Natuurbeschermingsrecht / Algemeen
Natuurbeschermingsrecht / Gebiedsbescherming
Natuurbeschermingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Art. 19j, lid 2 Nbw 1998. Ingevolge art. 19j, derde lid Nbw 1998 moet een dergelijke beoordeling voldoen aan de regels van artikel 19g en 19h Nbw 1998.
ABRvS 13 juli 2011, TBR 2011/152 (Bestemmingsplan ‘Tuibrug’, gemeente Hoorn).
Zie onder meer ABRvS 20 maart 2013, BR 2013, 85, JFf 2013, 70 (Bestemmingsplan buitengebied Gulpen-Wittem), ABRvS 6 maart 2013, TBR 2013/87 (Bestemmingsplan Cantineweg Katwijk), ABRvS 26 september 2012, no. 201108501/1/R4 (Bestemmingsplan Zeegebied Westvoorne), ABRvS 11 april 2012, no. 201003878/1/R3 (Bestemmingsplan buitengebied Alphen-Chaam), ABRvS 24 augustus 2011, no. 201002550/1/R3 (Bestemmingsplan Bedrijventerrein Makkum), ABRvS 25 mei 2011, no. 201004365/1/R2 (Bestemmingsplan Buitengebied 2000 Barneveld) en ABRvS 7 juli 2010, nr. 200901747/1/R3 (Bestemmingsplan buitengebied Terschelling).
De laatste situatie doet zich voor indien voor de realisatie van een project zowel een omgevingsvergunning voor bouwen (art. 2.1, lid 1 sub a Wabo) als een Nbw 1998-vergunning (art. 19d, lid 1 Nbw 1998) benodigd is. In dat geval haakt de Nbw 1998-vergunning aan bij de omgevingsvergunning voor bouwen. Zie artt. 47-47c Nbw 1998.
De gemeenteraad is ook om een andere reden verplicht bij de vaststelling van een bestemmingsplan de belangen van een Natura 2000-gebied mee te wegen. Ingevolge artikel 19j, eerste lid Nbw 1998 moet de gemeenteraad bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening houden met de instandhoudingsdoelstellingen van de habitats en soorten in een Natura 2000-gebied. Doelstelling van deze toets is het voorkomen van verslechterende of significante effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied. Voor een plan met mogelijke significante effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied is het verplicht om een passende beoordeling op te stellen.1 Een bestemmingsplan kan alleen worden vastgesteld voor zover er wordt voldaan aan de vereisten van de artikelen 19g en 19h Nbw 1998. Op basis van de uitkomsten van een passende beoordeling kan het noodzakelijk zijn om bepaalde maatregelen te treffen om negatieve of significante effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied te voorkomen. Dergelijke maatregelen moeten − voor zover mogelijk − in een bestemmingsplan worden geborgd. Een gemeenteraad kan in een dergelijk geval niet kiezen voor een privaatrechtelijke overeenkomst. Dit blijkt uit de Afdelingsuitspraak ‘Bestemmingsplan Tuibrug, gemeente Hoorn’:
Het bestemmingsplan maakt het onder meer mogelijk om 40 woningen te realiseren in de wijk Kersenboogerd te Hoorn. In verband met mogelijke significante effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van een nabijgelegen Natura 2000-gebied is een passende beoordeling opgesteld. Hieruit blijkt dat de activiteiten die het bestemmingsplan toelaat, negatieve gevolgen kunnen hebben voor in het Natura 2000-gebied voorkomende meervleermuizen. In verband daarmee is in het bestemmingsplan voor bepaalde delen van het plangebied een verbod opgenomen om (straat)verlichting te plaatsen. Het ‘nut en de noodzaak’ van deze maatregel staat niet ter discussie. Wel de manier waarop dit verbod moet worden afgedwongen. De gemeenteraad meent te kunnen volstaan met een privaatrechtelijk kettingbeding in de, met de toekomstige bewoners van de te bouwen woningen te sluiten, koopovereenkomsten. De Afdeling vindt de privaatrechtelijke constructie niet voldoende en acht een publiekrechtelijke borging in de vorm van een gebruiksregeling (verbodsbepalingen) in het bestemmingsplan vereist. In dat verband valt op dat de Afdeling geen onderscheid aanbrengt tussen de openbare ruimte en particuliere gronden.2
De verplichting om een bestemmingsplan aan artikel 19j Nbw 1998 te toetsen, levert in de praktijk regelmatig problemen op. Bijvoorbeeld in de situatie waarin ten onrechte geen passende beoordeling is uitgevoerd, of in het geval waarin een passende beoordeling niet volgens de daarvoor geldende regels (zoals de ‘beste wetenschappelijke kennis ter zake’) is opgesteld. Meestal besluit de Afdeling in dat soort situaties tot het geheel of gedeeltelijk vernietigen van het vastgestelde bestemmingsplan.3 Artikel 19j Nbw 1998 speelt een zeer belangrijke rol bij het borgen van de bescherming van een Natura 2000-gebied in een bestemmingsplan. Hierbij vormt niet een goede ruimtelijke ordening, maar de bescherming van de habitats en soorten van een Natura 2000-gebied het uitgangspunt.
De formulering en inhoud van artikel 19j, eerste lid Nbw 1998 roept een aantal vragen op. In de eerste plaats beperkt deze toets zich tot de instandhoudingsdoelstellingen van de habitats en soorten in een Natura 2000-gebied. De instandhoudingsmaatregelen vallen niet onder de reikwijdte van artikel 19j Nbw 1998. De uitvoering van dergelijke maatregelen is van belang voor het realiseren van een gunstige staat van instandhouding van habitats en soorten. In de tweede plaats spreekt de tekst van artikel 19j, eerste lid Nbw 1998 over ‘rekening houden’ met de instandhoudingsdoelstellingen en niet over ‘in acht nemen’. Het is de vraag of de habitats en soorten op deze manier wel afdoende worden beschermd. Het is niet duidelijk wat onder ‘rekening houden met’ moet worden verstaan. Gezien de Afdelingsjurisprudentie betreft het een afweging op hoofdlijnen tussen de belangen van een Natura 2000-gebied en andere naburige (eventueel conflicterende) bestemmingen. De vaststelling van een bestemmingsplan is in principe alleen mogelijk als significante effecten op de instandhoudingsdoelstellingen ontbreken. Wanneer mogelijk wel sprake is van significante effecten is het vaststellen van het plan alleen mogelijk voor zover wordt voldaan aan de zogenaamde ADC-criteria.4 Zo beschouwd is het systeem van artikel 19j Nbw 1998 in lijn met de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 6 Hrl. Daarnaast is meestal een Nbw 1998-vergunning, of een verklaring van geen bedenkingen op basis van deze wet, nodig voor het realiseren van een concreet project in een plangebied.5 In dergelijke gevallen moet voor zover noodzakelijk (opnieuw) een habitattoets worden uitgevoerd.