Het budgetrecht van het Nederlandse parlement
Einde inhoudsopgave
Het budgetrecht van het Nederlandse parlement 2017/7.5.2:7.5.2 Inperking politieke manoeuvreerruimte
Het budgetrecht van het Nederlandse parlement 2017/7.5.2
7.5.2 Inperking politieke manoeuvreerruimte
Documentgegevens:
mr. M. Diamant, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. M. Diamant
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De formele betrokkenheid van het parlement bij de besluitvorming over de begroting blijft onaangetast. Het paradoxale effect van het huidige model is echter dat tegelijkertijd de politieke manoeuvreerruimte om op nationaal niveau beslissingen te nemen over de begroting aanzienlijk wordt ingeperkt. De bevoegdheid om het begrotings- en economisch beleid vorm te geven is de facto deels overgedragen aan het EU-niveau.
Door het Europees Semester en de doorgaande cyclus van onder andere rapportages, evaluaties, aanbevelingen en nadere rapportages is de besluitvorming in Europees verband in grote mate bepalend voor de besluitvorming over en de uiteindelijke vaststelling van de begroting, in het bijzonder wanneer Nederland de begrotingsregels overtreedt.
Dat de begroting steeds meer in het kader van de besluitvorming in Europees verband wordt vastgesteld raakt ook aan de betrokkenheid van het parlement bij de besluitvorming over de begroting. Het parlement kan immers geen wezenlijke invloed uitoefenen op de besluitvorming in Europees verband. Het parlement is betrokken bij de besluitvorming via de minister in de Raad maar heeft geen vetorecht en is niet direct vertegenwoordigd. Bovendien leggen de Commissie en de (Europese) Raad als collectief geen verantwoording af aan het parlement. Het parlement heeft op nationaal niveau wel een laatste stem over de begroting en kan in het uiterste geval het vertrouwen in de betreffende minister of het kabinet opzeggen. Echter met de inzet van deze bevoegdheden kan het parlement het in Europees verband tot stand gekomen begrotingsbeleid niet corrigeren.
Daarnaast worden de aanbevelingen opgesteld in een constante dialoog tussen de Commissie, de Raad en de regering, waarin de regering zowel aan de EU-instellingen als aan het parlement verantwoording aflegt over de begroting(splannen). Tussen de Commissie en de lidstaten vindt bovendien geregeld een technische dialoog plaats over landenspecifieke vraagstukken. Het parlement speelt hierbij geen rol. De regering krijgt nog meer dan voorheen de overhand bij het opstellen van de begroting in het licht van het EU-beleid.
Bovendien geven steeds meer instanties een (technisch) oordeel over de begroting. De ruimte voor het parlement om een politiek oordeel te geven over het beleid en de prestaties van de regering wordt hierdoor gemarginaliseerd.
Verder kan de tijdsdruk die ontstaat op de behandeling van de begroting gevolgen hebben voor de betekenisvolle betrokkenheid van het parlement bij de besluitvorming over de begroting.