Einde inhoudsopgave
De concern(genoten)enquête (VDHI nr. 158) 2019/11.5
11.5 Ten aanzien van wie zou moeten blijken van gegronde redenen (vraag 4)?
mr. R.P. Jager, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. R.P. Jager
- JCDI
JCDI:ADS85935:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Europees ondernemingsrecht
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Cf. P. van Schilfgaarde, ‘De medebeleidsbepaler in het ondernemingsrecht’, in: K.M. van Hassel en M.P. Nieuwe Weme (red.), Willems’ wegen. Opstellen aangeboden aan prof. mr. J.H.M. Willems ter gelegenheid van zijn terugtreden als voorzitter van de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam, Serie vanwege het Van der Heijden Instituut, deel 102, Deventer: Kluwer 2010, p. 321-322; conclusie, onder 3.7.27, van A-G Timmerman bij HR 9 juli 2010, NJ 2010/544, m.nt. P. van Schilfgaarde, JOR 2010/228, m.nt. M.J. van Ginneken, Ondernemingsrecht 2010/105, m.nt. P.M. Storm, AA 2010/11, m.nt. M.J.G.C. Raaijmakers (ASMI). Vide ook Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/780. Vide voorts ’s Ondernemingskamers ‘Aandachtspunten, aanbevelingen en suggesties voor onderzoekers in enquêteprocedures (artikel 2:345 BW) gewijzigd per 1 januari 2013’ (hierna: aandachtspunten), onder 2.1. Deze aandachtspunten zijn gepubliceerd inOndernemingsrecht 2013/97. Vide daarover R.M. Hermans, ‘Gewijzigde aandachtspunten, aanbevelingen en suggesties voor onderzoekers’, Ondernemingsrecht 2013/96. Vide ook R.M. Hermans, ‘Enkele suggesties voor aanpassing van de regels voor de onderzoeksfase’, Ondernemingsrecht 2018/70, paras1 en 6 en de verwijzing(en) aldaar.
Cf. Van Amsterdam en Van Amsterdam, op. cit., p. 28.
Cf. hof Amsterdam (OK) 22 september 2016, ARO 2017/24, r.o. 3.6 (Blue), waarin de Ondernemingskamer, voor zover hier van belang en kort gezegd, overwoog dat Radder weliswaar geen statutair bestuurder van Blue Beheer was, maar hij als feitelijk beleidsbepaler van het beleid van (mede) die vennootschap moest worden gezien, hetwelk meebracht dat Radder in die hoedanigheid ‘zal worden betrokken bij de vraag of er gegronde redenen zijn om aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van Blue Beheer en Blue Personeelsbemiddeling te twijfelen’.
Cf. Van Schilfgaarde 2010, op. cit., p. 322-324; conclusie, onder 3.7.27, van A-G Timmerman bij HR 9 juli 2010, NJ 2010/544, m.nt. P. van Schilfgaarde, JOR 2010/228, m.nt. M.J. van Ginneken, Ondernemingsrecht 2010/105, m.nt. P.M. Storm, AA 2010/11, m.nt. M.J.G.C. Raaijmakers (ASMI); E.M. Soerjatin, ‘De rol van buitenstaanders in het enquêteonderzoek’, in: M. Holtzer, A.F.J.A. Leijten en D.J. Oranje (red.), Geschriften vanwege de Vereniging Corporate Litigation 2011-2012, Serie vanwege het Van der Heijden Instituut, deel 112, Deventer: Kluwer 2012, p. 339-346; Slagter (deel 2) 2013, op. cit., p. 1572-1573. Vide ook Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/465; Van Schilfgaarde 2017, op. cit., p. 211; D.A.M.H.W. Strik, in: Sdu Commentaar Ondernemingsrecht, art. 2:248 BW, aant. C.12; M.L. Lennarts, in: T&C Ondernemingsrecht, art. 2:248 BW, aant. 9; J.B. Huizink, in: GS Rechtspersonen, art. 2:248 BW, aant. 28.1, 28.3.1 en 28.3.2.
‘Concernbeleid’ onderscheid ik van ‘het beleid van het concern’. Dat eerste is door de moedermaatschappij bepaald beleid en dat laatste omvat al het beleid binnen het concern als in de hoofdtekst bedoeld.
Cf. Kamerstukken II 1967/68, 9596, 3, p. 7 (MvT), waarin de minister van Justitie, Polak, opmerkte dat in beginsel het beleid in zijn ‘volle omvang’ voorwerp van onderzoek behoort te kunnen zijn. Vide ook Handelingen II 1969/70, 61, p. 2910; hof Amsterdam (OK) 10 januari 2008, JOR 2008/39, m.nt. M. Brink, Ondernemingsrecht 2008/37, m.nt. Ch.E. Honée, r.o. 3.30 (PCM). Vide tevens Raaijmakers 2017, op. cit., p. 675.
Cf. A.F.J.A. Leijten en M.P. Nieuwe Weme, ‘Het wetsvoorstel aanpassing enquêterecht’, in: M. Holtzer, A.F.J.A. Leijten en D.J. Oranje (red.), Geschriften vanwege de Vereniging Corporate Litigation 2011-2012, Serie vanwege het Van der Heijden Instituut, deel 112, Deventer: Kluwer 2012, p. 149-150; Slagter (deel 2) 2013, op. cit., p. 1573. Vide ook Kamerstukken II 2010/11, 32887, 3, p. 15 (MvT).
Cf. Leijten en Nieuwe Weme, op. cit., p. 150-152.
Vide ook Uniken Venema 1996, op. cit., p. 179-180, 186 en 229. Hij sprak van ‘beleidsvermenging’.
Vide ook hof Amsterdam (OK) 23 juni 1983, NJ 1984/571, m.nt. J.M.M. Maeijer (Hyster); hof Amsterdam (OK) 29 augustus 1985, NJ 1986/578, m.nt. J.M.M. Maeijer (Howson Algraphy). In deze twee beschikkingen overwoog de Ondernemingskamer, voor zover hier van belang, dat in de verhouding tussen een moeder- en een dochtervennootschap eerstgenoemde aan laatstgenoemde richtlijnen en aanwijzingen kan geven, waaraan die laatste zich door haar afhankelijkheid van die eerste in het algemeen moeilijk kan onttrekken.
Concernbeleid heeft in dit verband een smalle betekenis: het door de moedermaatschappij bepaalde – en het beleid van de individuele dochtermaatschappijen overstijgende en daarvan geabstraheerde – beleid.
Cf. Kamerstukken II 1992/93, 22400, 9, p. 4, waarin de staatssecretaris van Justitie het volgende opmerkte: ‘Zelfs in een grote rechtspersoon met een complexe gedeconcentreerde organisatie zullen de hoofdlijnen van het beleid worden bepaald door het bestuur en zal tussen beleid en de gang van zaken in verschillende onderdelen van de organisatie altijd een zekere verwevenheid bestaan [curs. RPJ], die het onmogelijk maakt een goed beeld te krijgen van één onderdeel, als niet ook de andere in de beschouwingen worden betrokken.’
Cf. de noot, onder 2 en 3, van Maeijer bij hof Amsterdam (OK) 21 juni 1979, NJ 1980/71 (Batco): ‘Betekent dit dat men noodzakelijkerwijze slechts het beleid van Batco Nederland kan onderzoeken? Neen, m.i. is met het oog op de nu eenmaal gegeven concernverhouding de bedoeling: het beleid van BAT (de moeder) en Batco Benelux zoveel als mogelijk is, mede in het onderzoek te betrekken. Blijkens het verslag van de rapporteur is hiertoe van de betrokken vennootschappen vrijwillig en zonder reserve alle medewerking gekregen. Dit is niet zo verwonderlijk. Geen concern zal er belang bij hebben dat de handelwijze van een in een nationale rechtsorde opererende dochter geisoleerd [sic]: los van het concernverband wordt beoordeeld.’ respectievelijk ‘Belangrijk is hierbij overw. 4 jo 1: dat de beoordeling van de sluiting van de Amsterdamse fabriek die op zichzelf nog winst opleverde, niet geisoleerd dient te geschieden, maar binnen het raam van de grotere organisatorische eenheid gevormd door Batco Nederland en Batco Benelux die in concernverband bestuurd werd door de Benelux Management Board.’ (curs. RPJ) Vide ook hof Amsterdam (OK) 28 februari 2005, ARO 2005/34, r.o. 3.13 (Dodo), waarin de Ondernemingskamer, voor zover hier van belang, overwoog dat het gerechtvaardigd was dat het onderzoek zich ook zou uitstrekken tot de dochtervennootschappen, nu hun beleid sterk verweven leek met dat van Dodo.
Cf. hof Amsterdam (OK) 21 juni 1979, NJ 1980/71 (Batco), waarin de Ondernemingskamer, voor zover hier van belang, overwoog dat de enquêteur er bij zijn onderzoek terecht van was uitgegaan dat Batco Nederland en Batco Benelux als een organisatorische eenheid moesten worden beschouwd, welke eenheid bestuurlijk onder leiding van een orgaan, de Benelux Management Board, stond en de beslissingen van deze voor Batco Nederland rechtstreeks concrete gevolgen hadden gehad en derhalve niet buiten beschouwing konden blijven. Vide ook de noot, onder 2 (1e al.), van Maeijer bij deze beschikking.
Cf. HR 26 juni 1996, NJ 1996/730, r.o. 3.4 (Transom); HR 18 juni 1980, NJ 1981/547, m.nt. J.M.M. Maeijer, r.o. 7 (Bureau Beckers). Vide ook de noot, onder 1, van Maeijer bij deze beschikking.
Cf. Buijn en Storm, op. cit., p. 1012; Storm 2018, op. cit., p. 153. Vide ook de noot, onder 4, van Josephus Jitta bij HR 30 maart 2007, NJ 2007/293, m.nt. J.M.M. Maeijer, JOR 2007/138, m.nt. M.W. Josephus Jitta, Ondernemingsrecht 2007/111, m.nt. P.G.F.A. Geerts (ATR Leasing).
Cf. HR 30 maart 2007, NJ 2007/293, m.nt. J.M.M. Maeijer, JOR 2007/138, m.nt. M.W. Josephus Jitta, Ondernemingsrecht 2007/111, m.nt. P.G.F.A. Geerts, r.o. 4.4 (ATR Leasing). Vide ook Geerts 2004, op. cit., p. 151 en de conclusie, onder 5.10, van A-G Timmerman bij deze beschikking. Volgens hen moet niet uit het oog worden verloren dat in de enquêteprocedure niet het belang van de verzoekers centraal staat, maar dat van de vennootschap. Vide buitendien de conclusie, onder 3.1, van A-G Timmerman bij HR 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1279. Vide voorts zijn conclusie, onder 6.7, bij HR 26 juni 2009, NJ 2011/210, m.nt. W.J.M. van Veen, Ondernemingsrecht 2009/118, m.nt. P.M. Storm (KPNQwest). Naar zijn opvatting moet het enquêteverzoek worden afgewezen ‘indien het belang van verzoekers niet opweegt tegen het belang van de vennootschap (en zijn (voormalige) bestuurders en commissarissen) bij afwijzing ervan’. Of zulks het geval is, moet zijns inziens in de eerste plaats door de Ondernemingskamer, aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval, worden beantwoord. Vide tevens HR 20 november 1996, NJ 1997/188, m.nt. J.M.M. Maeijer, r.o. 3.3.2-3.3.3 (Louder).
Er dienen, naar wenselijk recht, gegronde redenen te zijn om aan de juistheid van het beleid of de gang van zaken van het te enquêteren concern te twijfelen. Dit roept in de eerste plaats de vraag op wat moet worden verstaan onder het beleid ‘van’ het concern. Men zou geneigd kunnen zijn daarop te antwoorden dat daarmee wordt bedoeld het beleid zoals dat door de moedermaatschappij wordt bepaald. Zulks zou evenwel een te beperkte opvatting zijn. Er zou immers alsdan aan voorbij worden gezien dat de moedermaatschappij weliswaar beleid voorbereidt en vaststelt, maar dat beleid vervolgens wordt uitgevoerd door de onder deze ressorterende groepsmaatschappijen. Ook die uitvoering valt derhalve onder het beleid ‘van’ het concern. Bovendien wordt eraan voorbijgegaan dat, afhankelijk van hoe het concern wordt geleid, de onderhorige groepsmaatschappijen – binnen het kader van het concernbeleid – beleidsautonoom zijn en zij mitsdien ook eigen beleid kunnen ontwikkelen. Dit beleid valt daarom eveneens onder het beleid ‘van’ het concern.
Het laatstbedoelde beleid zal primair zijn bepaald door de besturen van de respectieve groepsmaatschappijen waaruit het te enquêteren concern bestaat. Daarnaast kunnen onder omstandigheden andere (wettelijke/statutaire) organen zoals hun algemene vergaderingen en raden van commissarissen, zo die laatste zijn ingesteld, dat beleid mede hebben bepaald.1 De beleidsbepalende handelingen van al de genoemde organen kunnen dan ook een gegronde redenen opleveren om aan een juist beleid van het concern te twijfelen.2 Van een beperking daartoe is echter geen sprake. Ook de beleidsbepalende handelingen van degene die, al dan niet krachtens de wet of de statuten, bij de concernorganisatie (lees: de organisaties van de respectieve groepsmaatschappijen) is betrokken, zoals een (lid van een) orgaan, de (centrale) ondernemingsraad of leden daarvan, een bank en een leverancier, en dat beleid feitelijk (mede) heeft bepaald (cf. art. 2:138 (248), zevende lid, BW), kunnen een gegronde reden in vorenbedoelde zin opleveren,3 met dien verstande dat diegene zich dermate intensief met de bepaling van het beleid heeft bemoeid, dan wel daar dusdanig verregaande invloed op heeft uitgeoefend, dat hij de facto plaats is gaan nemen op de zetel(s) van (een van) de formele bestuurder(s), een en ander derhalve met feitelijke terzijdestelling van laatstgenoemde(n).4
Voorts dringt de vraag zich op wat moet worden verstaan onder het ‘beleid’ van het concern. Mijns inziens valt ieder soort beleid daaronder; men denke aan concernbeleid,5 zoals door de moedermaatschappij bepaald, sociaal beleid, financieel beleid, commercieel beleid, dividendbeleid, beloningsbeleid, communicatiebeleid, milieubeleid, personeelsbeleid, pensioenbeleid en andersoortig beleid.6 Op al deze beleidsterreinen kan een – op twijfel aan de juistheid van het beleid gerichte – gegronde reden liggen.
Naast ‘beleid’ staat ‘gang van zaken’. In de derde, en laatste, plaats rijst de vraag wat moet worden verstaan onder juiste ‘gang van zaken’. Daarmee wordt met name gedoeld op gedragingen tussen of binnen ((leden van) organen van) groepsmaatschappijen,7 voor zover die geen verband houden met het (uitvoeren van) beleid. Ook het buiten het concern vertoonde gedrag van individuele leden van organen van groepsmaatschappijen van het desbetreffende concern kan een gegronde reden opleveren, mits de gedraging is verricht in de hoedanigheid van aandeelhouder, bestuurder of commissaris van dat concern.8
Last but not least behoeft beantwoording de vraag of, mede gezien mijn ruime uitleg van de begrippen ‘beleid’ en ‘gang van zaken’, ten aanzien van alle groepsmaatschappijen van het te enquêteren concern afzonderlijk moet blijken van gegronde redenen. Het antwoord hierop moet – in afwijking van het huidige recht – ontkennend luiden. Daartoe is het volgende redengevend. Het is inherent aan een concern dat het beleid van de dominante groepsmaatschappij (in zekere mate) vervlochten is met dat van de onderhorige groepsmaatschappij.9 De mate van verwevenheid kan per concern, per groepsmaatschappij en per beleidsterrein verschillen.
Verder kan beleidsautonomie zijdens een dochtermaatschappij geheel ontbreken. Er kunnen drie situaties worden onderscheiden: (1) de moedermaatschappij zet ter zake van het beleid enkel de (hoofd)lijnen uit en de dochtermaatschappij kleurt het (overige) beleid in, (2) de dochtermaatschappij bepaalt in (nauwe) samenspraak met de moedermaatschappij het beleid, waarbij deze laatste aan die eerste ook richtlijnen, aanwijzingen en instructies kan geven,10 en (3) de moedermaatschappij dicteert het beleid van haar dochtermaatschappij. Hierbij zij opgemerkt dat zelfs in geval van een sterk decentraal geleid concern waarin de moedermaatschappij louter de hoofdlijnen van het beleid van haar dochtermaatschappij bepaalt en deze overigens eigen beleid kan bepalen, dat beleid als zodanig weliswaar eigen kan zijn, maar dat bepaalde aspecten daarvan verstrengeld kunnen zijn met (onderdelen van) het concernbeleid11 als door de moedermaatschappij bepaald.12
Als men per groepsmaatschappij zou moeten beoordelen of het litigieuze beleid een gegronde reden oplevert om aan de juistheid daarvan te twijfelen, dan zou, strikt genomen, eerst het beleid ‘van’ iedere groepsmaatschappij moeten worden geïsoleerd, het beleidskluwen zou moeten worden ontward, teneinde te vermijden dat niet (mede) dat van een andere groepsmaatschappij in die beoordeling wordt betrokken. Gelet op het bovenstaande, lijkt mij dat echter niet, althans niet zonder meer of steeds, doenlijk (hoe wil de Ondernemingskamer, of de verzoeker, niet zijnde een concernfunctionaris, het beleid van de ene groepsmaatschappij scheiden van dat van de andere groepsmaatschappij?), noch wenselijk.13 Bovendien is er in geval van een beleidsautonomieloze dochtermaatschappij de facto geen sprake van beleid ‘van’ deze; haar beleid is dat van de moedermaatschappij. Overigens wordt in een gefragmenteerde benadering te veel uit het oog verloren dat, los van beleidsvermenging en het niet zelfstandig kunnen bepalen van eigen beleid, de moedermaatschappij op grond van de concernband zowel feitelijk als juridisch een enorme (sturende) invloed kan uitoefenen op, en haar beslissingen kunnen dito gevolgen hebben ten aanzien van, het beleid, daaronder begrepen de bepaling zowel als de uitvoering ervan, van haar dochtermaatschappij.14 Het beleid en de gang van zaken van de ene groepsmaatschappij kan dan ook niet, althans niet zonder meer of steeds, (volledig) los worden gezien van dat en die van een of meer andere groepsmaatschappijen; zulks dient zoveel mogelijk in onderling verband en samenhang te worden beschouwd. Hetzelfde geldt ten aanzien van de handelwijze van bestuurders in geval van (bijkans) volledige personele unies tussen de respectieve besturen ervan.
In dat licht, alsmede in aanmerking nemende dat het concern een rechtssubject sui generis is, kan de enquêteverzoeker zich met het aan zijn gegronde redenen-stelling ten grondslag gelegde keren tegen het beleid of de gang van zaken van het concern als zodanig, zonder dat hij dat beleid of die gang van zaken behoeft te (trachten te) individualiseren, te ontvlechten, of dat uit het verzoekschrift moet blijken dat materieel/feitelijk bij alle afzonderlijke groepsmaatschappijen dergelijke redenen aanwezig zijn. Vervolgens dient de Ondernemingskamer te beoordelen of de door de verzoeker aangevoerde argumenten ieder op zichzelf dan wel bij elkaar geveegd het oordeel kunnen dragen dat er gegronde redenen zijn om aan de juistheid van het beleid of de gang van zaken ‘van (het te enquêteren) concern’ – waarmee mede tot uitdrukking wordt gebracht dat het beleid van een concern in de regel een mengsel, een bundeling, van het beleid van de groepsmaatschappijen is waaruit het bestaat, en het beleid of de gang van zaken van die groepsmaatschappijen derhalve (in beginsel) niet geïsoleerd wordt beoordeeld, maar er te dier zake een coherente beoordeling plaatsvindt – te twijfelen. Niettemin kan, in uitzonderlijke gevallen, een gegronde redenen ‘bij’ één groepsmaatschappij een gegronde reden ‘van’ het concern opleveren.
Indien de Ondernemingskamer van oordeel is dat er gegronde redenen zijn om aan de juistheid van het beleid of de gang van zaken van het concern te twijfelen, waarbij (i) aan haar een ruime beoordelingsmarge moet worden gelaten en (ii) zij niet van tevoren behoeft vast te hebben gesteld dat de door haar aan haar beslissing ten grondslag gelegde feiten en/of omstandigheden niet aan de schuld of aan het toedoen van de verzoeker tot enquête te wijten zijn geweest,15 dan dient zij vervolgens een belangenafweging te maken, waarbij (1) aan haar wederom een ruime beoordelingsmarge moet worden gelaten en (2), hoewel zij ook moet letten op het belang van de verzoeker tot enquête en op de, voor zover bekend, belangen van de bij het concern betrokken, al dan niet in procesrechtelijke zin gekwalificeerde (videart. 282, eerste lid, Rv), belanghebbenden,16 het belang van het concern vooropstaat.17 De te maken belangenafweging kan fungeren als correctiemechanisme tegen het gelasten van exorbitante concernenquêtes.