Onmiddellijke voorzieningen en hun externe werking
Einde inhoudsopgave
Onmiddellijke voorzieningen en hun externe werking (IVOR nr. 118) 2020/10.2:10.2 Inleiding
Onmiddellijke voorzieningen en hun externe werking (IVOR nr. 118) 2020/10.2
10.2 Inleiding
Documentgegevens:
mr. A.C. Faber, datum 16-03-2020
- Datum
16-03-2020
- Auteur
mr. A.C. Faber
- JCDI
JCDI:ADS196977:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
[369] Onmiddellijke voorzieningen die inbreuk maken op contractuele verhoudingen van rechtspersonen stonden centraal in dit onderzoek. Die voorzieningen kunnen rechtsplichten van de rechtspersoon in het leven roepen, die onverenigbaar zijn met zijn rechtsplichten uit een overeenkomst. De rechtspersoon kan dan niet aan beide verplichtingen voldoen. Dat conflict van rechtsplichten kan gevolgen hebben die afdoen aan het positieve effect, dat met de onmiddellijke voorziening wordt nagestreefd. De Ondernemingskamer behoeft inzicht in die negatieve gevolgen, zodat zij die kan betrekken in haar beslissing tot het treffen van de onmiddellijke voorziening. Een voorziening, waarvan de positieve effecten niet opwegen tegen de nadelen voor de rechtspersoon, dient achterwege te blijven. Zo’n voorziening past niet in de enquêteprocedure. Daarin staat het belang van de rechtspersoon voorop.
[370] Effecten van drieërlei aard zijn denkbaar als een onmiddellijke voorziening conflicteert met een contractuele verplichting van de rechtspersoon. Ten eerste kan de onmiddellijke voorziening de contractuele verplichting niet aantasten. De rechtsplichten uit de overeenkomst hebben dan voorrang, zodat verplichtingen uit de voorziening daarvoor wijken. Zo’n conflicterende onmiddellijke voorziening treft dan geen doel. Ten tweede zou de onmiddellijke voorziening prioriteit kunnen hebben; de rechtspersoon is dan (tijdelijk) ontheven van zijn contractverplichtingen. Ten derde is voorstelbaar, dat de rechtspersoon zijn contractuele verplichting niet nakomt wegens de onmiddellijke voorziening, dat de wederpartij in reactie daarop gebruik maakt van rechten uit de overeenkomst, en dat die reactie negatief uitwerkt op de rechtspersoon. Deze drie soorten van effecten – die met scenario’s zijn aangeduid – sluiten elkaar uit (nr. 9).
[371] Het onderzoek is gebaseerd op het derde scenario. Om nadelige gevolgen voor de rechtspersoon van de reactie van zijn wederpartij op de inbreuk door een onmiddellijke voorziening op het spoor te komen, is inzicht in de mogelijke reacties van de wederpartij nodig. Dat vereist kennis van de rechtspositie van de wederpartij. Een groot deel van het onderzoek heeft bestaan uit het achterhalen van informatie over die rechtspositie.
Er is rekening gehouden met de mogelijkheid dat het eerste scenario (de contractuele verplichting heeft absoluut voorrang) of het tweede scenario (de onmiddellijke voorziening heeft prioriteit) geldend recht is. Daarom is een mogelijke rangorde betrokken in het onderzoek. Indien de contractuele verplichting voorrang heeft, kan de Ondernemingskamer haar afweging bij het treffen van een conflicterende onmiddellijke voorziening betrekkelijk eenvoudig houden. Zij zal de voorziening, die niet doeltreffend is, achterwege laten. Als de contractuele verplichting niet prevaleert, moet het belang van de wederpartij wel worden betrokken in de afweging (nr. 23 en 3.9 en 3.12). Aan die belangenafweging is weinig aandacht besteed.
Uit het onderzoek is gebleken dat het eerste scenario en het tweede scenario niet als geldend recht kunnen worden beschouwd (zie 10.4).