Einde inhoudsopgave
Onmiddellijke voorzieningen en hun externe werking (IVOR nr. 118) 2020/10.8
10.8 De bevoegdheid tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen; slotsommen
mr. A.C. Faber, datum 16-03-2020
- Datum
16-03-2020
- Auteur
mr. A.C. Faber
- JCDI
JCDI:ADS196955:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
In die zin is de nadruk die in het debat over deze kwestie is gelegd op schadevergoeding (zie onder meer nr. 6 en 31) terecht.
Opgemerkt zij, dat niet is onderzocht of het derde scenario ook geldend recht is in geval vreemd recht de contractuele verplichting beheerst.
Secure motivering van de bezoldigingsingreep heeft ook tot effect, dat bij een eventueel beroep op overmacht aangrijpingspunten gevonden kunnen worden voor de allocatie van het risico voor de onmiddellijke voorziening (zie ook nr. 391) en bij een nakomingsvordering argumenten voor afwijzing (zie 9.6).
Bijv.: bezoldigingsingrepen in het belang van het onderzoek voldoen niet aan de criteria voor onmiddellijke voorzieningen (10.6); verrekening en opschorting door de wederpartij en schadevorderingen kunnen relatief te nadelige gevolgen voor de rechtspersoon hebben (10.5, 10.7.4); de onmiddellijke voorziening kan onder omstandigheden verminderd doeltreffend zijn (10.7.5).
[400] Het onderzoek geeft nog aanleiding tot de volgende observaties over het onderzoeksthema.
[401] De enquêteprocedure wijkt af van de procedure voor de gewone burgerlijke rechter (hoofdstuk 2). Het enquêterecht heeft een tweeledig doel: het is gericht op een zowel in juridisch, als in bedrijfseconomisch opzicht deugdelijke staat van de rechtspersoon (nr. 58). De inrichting van de enquêteprocedure hangt samen met dat dubbelzijdige doel. Dat komt onder meer tot uitdrukking in de prominente plaats van het belang van de rechtspersoon in de procedure. De bevoegdheid tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen is door de wetgever bedoeld om de effectiviteit van de enquêteprocedure te verhogen (3.3). Die bevoegdheid is daarom verstrekkend. Het onderdeel van de enquêteprocedure, waarin die bevoegdheid is ondergebracht, verschilt sterk van de contradictoire procedure voor de gewone burgerlijke rechter, waarin over contractuele verhoudingen wordt geoordeeld. De onvergelijkbaarheid van de procedures is speciaal in het oog gesprongen bij bespreking van de thema’s het gezag van gewijsde (5.4, 5.5), de normatieve werking (5.7) en de afstemmingsregel (6.3.2). Waar rechtsplichten uit contractuele verhoudingen niet verenigbaar zijn met onmiddellijke voorzieningen, wringt dat verschil in de aard van de procedures. Men zou daarom wellicht evengoed kunnen spreken van schurende procedures als van botsende rechtsplichten.
[402] De bevoegdheid van de Ondernemingskamer tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen, die inbreuk maken op contractuele verhoudingen, wordt niet beperkt door uitdrukkelijke wettelijke bepalingen, noch door het gezag van gewijsde of de afstemmingsregel, en evenmin door de arbeidsrechtelijke loonrisicoregeling. De bevoegdheid is daarmee ruim genoeg om te voldoen aan het door de wetgever beoogde doel. Er is geen noodzaak voor aanvullende wetgeving.
[403] Als een onmiddellijke voorziening wordt getroffen die inbreuk maakt op een contractuele verplichting van de rechtspersoon, dient in de beslissing te worden betrokken dat de reactie van de wederpartij op die voorziening de rechtspersoon nadeel kan toebrengen. Financieel nadeel door een schadevergoedingsverplichting ligt het meest voor de hand.1 Extra behoedzaamheid bij het gebruik van de bevoegdheid is op zijn plaats als vreemd recht van toepassing is op de contractuele verplichting. De kans op en de omvang van nadeel zijn dan voor de Ondernemingskamer niet goed vast te stellen.2
[404] De Ondernemingskamer heeft de bevoegdheid om de bezoldigingsverplichting van de rechtspersoon aan te tasten. Ingrepen in de bezoldiging voldoen slechts onder uitzonderlijke omstandigheden aan de criteria voor het treffen van onmiddellijke voorzieningen. Deugdelijke motivering van de maatregelen is nodig.3 Beslissingen over de bezoldigingsverplichtingen gaan over de rechtspositie van de rechtspersoon en de rechtspositie van degene die aanspraak heeft op de bezoldiging. De Ondernemingskamer dient die rechtsposities ondubbelzinnig vast te stellen.
[405] In hoofdstuk 1 is uiteengezet, dat onduidelijk was of, en onder welke omstandigheden, de Ondernemingskamer bevoegd is een onmiddellijke voorziening te treffen, waarmee inbreuk wordt gemaakt op een contractuele verhouding van de rechtspersoon. Het verkennen van de grenzen van de bevoegdheid verkeerde op dit punt nog in een pioniersfase (1.1). Dit onderzoek heeft het inzicht opgeleverd, dat met een onmiddellijke voorziening inbreuk gemaakt kan worden op contractuele verhoudingen van rechtspersonen. Er zijn omstandigheden gevonden, waarin plaats kan zijn voor voorzieningen die een contractuele verplichting van de rechtspersoon aantasten. En er zijn contra-indicaties voor het treffen van zulke maatregelen aan het licht gekomen.4 Op die manier is bijgedragen aan het proces van concretisering van de wettelijke criteria voor het treffen van onmiddellijke voorzieningen, dat in 3.8 is beschreven. Met dit alles is de verkenning van de reikwijdte van de bevoegdheid ter zake van onmiddellijke voorzieningen die contractuele verplichtingen treffen, niet afgerond. Wel acht ik de tijd rijp voor een volgende fase, waarin het bereik van de bevoegdheid nauwkeuriger wordt vastgesteld. De bevindingen van dit onderzoek kunnen daarbij van dienst zijn.