Het opportuniteitsbeginsel en het recht van de Europese Unie
Einde inhoudsopgave
Het opportuniteitsbeginsel en het recht van de Europese Unie 2014/1.7.3:1.7.3 De procedurele en institutionele context van het opportuniteitsbeginsel
Het opportuniteitsbeginsel en het recht van de Europese Unie 2014/1.7.3
1.7.3 De procedurele en institutionele context van het opportuniteitsbeginsel
Documentgegevens:
Dr. W. Geelhoed LL.M., datum 19-09-2013
- Datum
19-09-2013
- Auteur
Dr. W. Geelhoed LL.M.
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Voorfase
Internationaal strafrecht / Europees strafrecht en strafprocesrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Vervolgens komt de vraag aan de orde welke plaats het opportuniteitsbeginsel heeft in de institutionele vormgeving van de strafrechtelijke handhaving, en welke bevoegdheden met het opportuniteitsbeginsel samenhangen. De omvang en de aard van de discretionaire ruimte waarvoor het opportuniteitsbeginsel de legitimatie biedt, staan nog niet vast bij de aanvaarding van het uitgangspunt. Het gaat hierbij om de concrete procedurele inkadering van het opportuniteitsbeginsel; zowel de omvang van strafvorderlijke bevoegdheden als de rechtsmiddelen die tegen het aanwenden van die bevoegdheden openstaan komen aan de orde. Daarbij kan gedacht worden aan rechtsbescherming tegen concrete opportuniteitsbeslissingen, maar ook aan een grotere rol voor het slachtoffer. Ook gaat het om de relaties tussen de instituties die binnen de uitvoerende macht zijn belast met strafrechtelijke handhaving die steeds intensiever samenwerken. Het is steeds meer een fictie geworden om aan het om een centraliserende rol te verlenen, mede vanwege de eigen agenda van Europese handhavingsinstanties.
De betekenis van rechterlijke controle en die van de institutionele fragmentatie van handhaving en wetgeving, moeten worden beschouwd in hun geëuropeaniseerde context. In dit hoofdstuk wordt onder andere teruggegrepen op de aanwijzingsbevoegdheden in gevallen van meineed voor het Hof van Justitie en van schending van atoomgeheimen, ten aanzien waarvan in paragraaf 1.2.1 een mogelijke spanning met het opportuniteitsbeginsel werd geconstateerd. Ook de harmonisatie van strafprocesrecht kan betekenis hebben voor het opportuniteitsbeginsel, zoals het geval zou kunnen zijn bij de op Europees niveau geharmoniseerde slachtofferrechten, waarop in paragraaf 1.2.2 werd geduid. De derde deelvraag luidt dan ook: wat is de betekenis van het opportuniteitsbeginsel in zijn procedurele en institutionele context binnen de geëuropeaniseerde democratische rechtsorde? Deze deelvraag wordt behandeld in hoofdstuk 4.