Het opportuniteitsbeginsel en het recht van de Europese Unie
Einde inhoudsopgave
Het opportuniteitsbeginsel en het recht van de Europese Unie 2014/1.7.6:1.7.6 Opbouw, methode en deelvragen
Het opportuniteitsbeginsel en het recht van de Europese Unie 2014/1.7.6
1.7.6 Opbouw, methode en deelvragen
Documentgegevens:
Dr. W. Geelhoed LL.M., datum 19-09-2013
- Datum
19-09-2013
- Auteur
Dr. W. Geelhoed LL.M.
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Voorfase
Internationaal strafrecht / Europees strafrecht en strafprocesrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Geelhoed 2008b, Geelhoed 2008a, Geelhoed 2009 en Geelhoed 2010c, Geelhoed 2010b, Geelhoed 2010a, Crijns & Geelhoed 2011, Geelhoed 2012.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Dit onderzoek is, afgezien van de inleiding en de conclusies, onderverdeeld in vijf hoofdstukken, waarin op de verschillende deelvragen antwoord wordt gegeven. In hoofdstuk 2 ligt de nadruk daarbij nog op het Nederlandse recht en op de betekenis die het opportuniteitsbeginsel in die nationale context heeft verkregen. In de hoofdstukken die daarop volgen wordt steeds een aspect van het opportuniteitsbeginsel in verband gebracht met het Europese recht. Het theoretische perspectief dat in dit onderzoek is ingenomen, waarbij het werk van MacCormick als leidraad dient, is verweven in de bespreking van de historische context van het opportuniteitsbeginsel en de confrontatie van de verschillende aspecten ervan met elementen van Europees recht. De wijze waarop die verwevenheid tot uitdrukking komt varieert per hoofdstuk. In het ene hoofdstuk wordt explicieter stilgestaan bij dit theoretisch kader dan in het andere. In de deelconclusies die elk hoofdstuk afsluiten wordt steeds expliciet een verband gelegd met deze theoretische uitgangspunten. Als geheel vormt dat een benadering van het onderwerp van dit onderzoek als een, zoals hierboven in paragraaf 1.3 weergegeven, dogmatisch, constitutioneel, rechtscultureel en integratieprobleem.
Deze hoofdstukken worden ten slotte met elkaar in verband gebracht in hoofdstuk 7, waarin de verschillende deelconclusies uit de hoofdstukken 2 tot en met 6 bij elkaar komen in een afsluitende conclusie. In dat afsluitende hoofdstuk worden tevens enkele aanzetten gegeven voor een aangepaste theorievorming omtrent het opportuniteitsbeginsel en de vervolgingsbeslissing, bezien in het licht van het recht van de Europese Unie. Het antwoord op de centrale vraagstelling dat daar wordt gegeven pretendeert daarmee een standpunt te geven over de betekenis van het opportuniteitsbeginsel in een geëuropeaniseerde rechtsorde. Zoals hiervoor opgemerkt zal dat standpunt onder meer betrekking hebben op een constitutioneel conflict tussen het Europese en het Nederlandse recht vanwege de gelding van het opportuniteitsbeginsel. Dat standpunt is gebaseerd op een pluralistische opvatting van de verhouding tussen de rechtsordes van de lidstaten enerzijds en de rechtsorde van de Europese Unie anderzijds, waarin beide echter zijn onderworpen aan de gelding van het internationale recht.
Verschillende onderdelen van dit onderzoeksverslag en de hoofdstukken waaruit het is opgebouwd zijn eerder in tijdschriften en bundels gepubliceerd.1 In de tekst wordt niet steeds aangegeven welke onderdelen dit betreft, omdat er in de meeste gevallen ook bewerkingen en actualiseringen hebben plaatsgevonden. Voor zover er in dit onderzoek afwijkende standpunten worden ingenomen ten opzichte van eerdere publicaties, ligt daaraan een verandering van inzicht ten grondslag.