Het opportuniteitsbeginsel en het recht van de Europese Unie
Einde inhoudsopgave
Het opportuniteitsbeginsel en het recht van de Europese Unie 2014/1.7.2:1.7.2 Het algemeen belang
Het opportuniteitsbeginsel en het recht van de Europese Unie 2014/1.7.2
1.7.2 Het algemeen belang
Documentgegevens:
Dr. W. Geelhoed LL.M., datum 19-09-2013
- Datum
19-09-2013
- Auteur
Dr. W. Geelhoed LL.M.
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Voorfase
Internationaal strafrecht / Europees strafrecht en strafprocesrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het opportuniteitsbeginsel biedt als beginsel de mogelijkheden om ruime discretionaire bevoegdheden te aanvaarden ten aanzien van beslissingen omtrent opsporing en vervolging. Deze omvangrijke bevoegdheden roepen de vraag op hoe met die mogelijkheden moet worden omgegaan. In het denken over het opportuniteitsbeginsel wordt steeds het verband gelegd met de invulling van de discretionaire bevoegdheden die daaruit voortvloeien. Het criterium dat de wet voor die invulling geeft, het algemeen belang, is daarom nauw verbonden met de discretionaire bevoegdheid zelf, die zijn rechtvaardiging mede verkrijgt doordat bij het nemen van concrete beslissingen een goede en verantwoorde invulling wordt gegeven aan het algemeen belang. Een probleem daarbij is, dat in het algemeen belang zeer uiteenlopende belangen op één noemer moeten worden gebracht, om beslissingen te kunnen nemen omtrent opsporing en vervolging. Al die verschillende belangen zullen moeten worden geïnventariseerd en gewaardeerd bij het nemen van strafvorderlijke beslissingen. Daarbij kan het algemeen belang worden ingevuld met talrijke beleidsinstrumenten, die het om in beginsel bij zijn taakvervulling binden, maar steeds wel een afwijkingsbevoegdheid openlaten.
Daarnaast is de invulling van het algemeen belang georiënteerd op normatieve uitgangspunten die vaak in verband worden gebracht met theorieën omtrent het doel en de rechtvaardiging van het straffen. De diverse belangen en gezichtspunten die betrokken zijn bij een specifiek strafbaar feit, of bij een algemene strafrechtelijk relevante problematiek ten aanzien waarvan het wenselijk is dat strafrechtelijke beleidslijnen worden geformuleerd, zullen in het licht van bepaalde normatieve uitgangspunten moeten worden gewaardeerd. Daarbij zal blijken dat de invulling van het algemeen belang deels inspiratie verkrijgt uit de straftheorie en in meer algemene zin uit moraalfilosofische theorieën. Deze manier van het geven van invulling aan het algemeen belang kan worden geconfronteerd met de eis dat het Europese recht effectief dient te worden gehandhaafd in de rechtsordes van de lidstaten. Daarbij rijst het probleem hoe deze effectiviteitsvereisten kunnen worden verdisconteerd in de vaststelling van het algemeen belang door de autoriteiten die beslissen over opsporing en vervolging. In paragraaf 1.2.1 werd dat gezien als één van de belangrijkste oorzaken van de spanningsverhouding die er tussen het Europese recht en het opportuniteitsbeginsel bestaat. Daarom luidt de tweede deelvraag: wat is de betekenis van het algemeen belang als grondslag voor de toepassing van het opportuniteitsbeginsel, in het licht van het Europese vereiste van effectiviteit? Deze deelvraag wordt behandeld in hoofdstuk 3.