Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/3.2.1.3.1
3.2.1.3.1 Terminologie
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946202:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Stb. 1985, 115.
Kamerstukken II 1981-1982, 17 337, nr. 5, p. 4: het woord plegen zou ingevolge art. 47 lid 1 sub 1 slechts zien op plegen, doen plegen en medeplegen, terwijl onder begaan ook uitlokking en medeplichtigheid zijn begrepen.
Kamerstukken II 1997-1998, 25 768, nr. A, p. 6.
Zie Smidt & Smidt 1891 (Deel II), p. 295. In het kader van de strafbaarstelling van overspel is in het parlement de vraag gesteld of de klacht kan worden gesplitst. Daarop volgt een duidelijk antwoord vanuit de regering: “Splitsbaarheid bestaat alleen waar de wet ze veroorlooft (b.v. 316: ‘tegen hem’)”. De verwijzing naar art. 316 Sr maakt duidelijk dat de klacht uitsluitend bij relatieve klachtdelicten kan worden gesplitst.
Rb. Limburg 9 augustus 2016, ECLI:NL:RBLIM:2016:6930.
Smidt & Smidt 1891 (Deel I), p. 494.
De formulering waarmee klachtdelicten zijn aangewezen is niet steeds dezelfde. Zo is in art. 285b lid 2 Sr vermeld: ‘Vervolging vindt niet plaats dan op klacht van hem tegen wie het misdrijf is begaan’, terwijl in het derde lid van art. 318 Sr voor een andere zinsnede is gekozen: ‘Dit misdrijf wordt niet vervolgd dan op klacht van hem tegen wie het misdrijf gepleegd is.’ Het onderscheid in zinsopbouw is voor de rechtspleging van geen betekenis. Daarentegen is het verschil in woordkeuze noemenswaardig, omdat de wetgever bij de invoering van het (klacht)delict belaging in het jaar 2000 de term ‘begaan’ welbewust verkoos boven ‘gepleegd’. In de toelichting op dit wetsvoorstel is vermeld dat door middel van het gebruik van deze term zou zijn veiliggesteld dat ook de poger en de deelnemer (zoals de medepleger, doen-pleger, uitlokker en medeplichtige) strafbaar kunnen zijn.1 De initiatiefwetgevers zoeken daarmee aansluiting bij de idee van de wetgever die in 1985 het huidige art. 64 Sr invoerde. In dat wetsartikel is het uitgangspunt neergelegd dat in geval van een klachtdelict degene tegen wie het feit is begaan de klachtgerechtigde is.2 De wetgever verkoos ook toentertijd ‘begaan’ boven ‘gepleegd’, om duidelijker te doen uitkomen dat het klachtvereiste geldt voor alle deelnemingsvormen. 3
Er is desondanks het nodige af te dingen op (de redengeving voor ) het gebruik van de term ‘begaan’ in art. 285b lid 2 Sr inzake het klachtvereiste bij belaging. De initiatiefwetgevers vermelden in de toelichting op het wetsvoorstel dat het woord begaan de voorkeur verdient, opdat niet slechts de pleger, maar ook andere deelnemers strafbaar kunnen zijn. Dat is echter niet hetgeen deze woordkeuze bewerkstelligt. De term is immers slechts relevant voor het bereik van het klachtvereiste en de vraag of een klacht ook noodzakelijk is voor de vervolging van de hierboven vermelde deelnemers aan het strafbare feit. De strafbaarheid komt niet voort uit de duiding als klachtdelict, maar volgt uit de daaraan voorafgegane strafbepaling.
Daar komt bij dat de wetgever al in 1985 – door middel van de invoering van art. 64 Sr – duidelijk heeft gemaakt dat ook deelnemingsvormen onder het klachtvereiste zijn begrepen. De wetgever meende toentertijd dat met deze wijziging kon worden volstaan en de wettekst van de verschillende klachtdelicten – waarin veelvuldig de term ‘gepleegd’ is gebezigd4 – is niet aangepast. De gedachte dat de keuze voor ‘begaan’ in plaats van ‘gepleegd’ geen functie vervult bij de strafbaarstelling van belaging, vindt steun in het advies van de Raad van State dat voorafging aan de invoering van deze strafbepaling. De Raad van State adviseerde immers – onder verwijzing naar art. 64 Sr – om het zinsdeel ‘van hem tegen wie het misdrijf is begaan’ te schrappen uit de voorgestelde strafbaarstelling van belaging. Dat voorstel is echter niet overgenomen.5
Uiteindelijk vinden de termen ‘begaan’ en ‘gepleegd’ (in relatie tot de hierboven beschreven klachtdelicten) op dezelfde wijze hun uitwerking in de rechtspraktijk. Dit is begrijpelijk omdat de wetgever via de invoering van art. 64 Sr reeds te kennen heeft gegeven dat alle deelnemingsvormen onder het klachtvereiste moeten worden begrepen. Onder de streep kan worden geconcludeerd dat de initiatiefwetgevers bij de invoering van het jongste klachtdelict meer duidelijkheid hebben willen creëren door een andere term te bezigen, maar dat zij daarin niet zijn geslaagd.
De formulering van de wettekst waarmee klachtdelicten zijn aangewezen loopt ook op andere punten uiteen. In een aantal gevallen is de reden daarvoor gelegen in het aanwijzen van specifieke klachtgerechtigden. Zo is bij het aan art. 207b Sr toegevoegde klachtvereiste vermeld dat het een klacht moet betreffen ‘van de rechterlijke autoriteit voor wie de valse verklaring werd afgelegd’ en is bij de schending van bedrijfsgeheimen in art. 273 Sr vermeld dat vervolging uitsluitend plaatsheeft op klacht ‘van het bestuur van de onderneming’. In dit verband kan ook worden gewezen op de art. 270 en 271 Sr, waarin bepaalde nabestaanden als klachtgerechtigden zijn aangeduid in geval sprake is van smaad(schrift) of het verspreiden van beledigende geschriften ten aanzien van een overledene. Tot slot is ook bij de strafbaarstelling van schaking niet gekozen voor de gangbare formulering dat het misdrijf niet wordt vervolgd dan op klacht van hem tegen wie het gepleegd is. Er is geopteerd voor de zinsnede ‘Geen vervolging heeft plaats dan op klacht’, waarna in het daaropvolgende artikellid de klachtgerechtigden zijn aangewezen in geval de geschaakte vrouw minderjarig dan wel meerderjarig is. In deze gevallen vervult de afwijkende formulering een functie, omdat de woordkeuze direct verband houdt met de nadere aanduiding van specifieke klachtgerechtigden.
In paragraaf 2.1.2.2 is reeds aandacht besteed aan de in art. 272 Sr strafbaar gestelde schending van het ambts- of beroepsgeheim. Deze strafbepaling is in het tweede lid van een voorwaardelijk klachtvereiste voorzien: “Indien dit misdrijf tegen een bepaald persoon gepleegd is, wordt het slechts vervolgd op diens klacht”. In het kader van de terminologie bij het aanwijzen van klachtdelicten verdient opmerking dat het woord ‘indien’ een wezenlijke functie vervult. Het voorkomt het processuele probleem dat bij de schending van publieke geheimen – die niemand persoonlijk aangaan – vervolging is uitgesloten, omdat niemand als klachtgerechtigde heeft te gelden. Dit processuele probleem is overigens niet kenmerkend voor de voorwaardelijk absolute klachtdelicten. Dit probleem kan zich immers niet voordoen bij art. 420 Sr dat uitsluitend op klacht kan worden vervolgd van hem tegen wie dat misdrijf is gepleegd “indien de aard van het geschrift of de afbeelding een misdrijf oplevert dat alleen op klacht vervolgbaar is”. Hier dient de voorwaarde uitsluitend ter voorkoming van de situatie dat de uitgever en drukker ambtshalve kunnen worden vervolgd, terwijl de verantwoordelijke voor het geschrift slechts op klacht zou kunnen worden vervolgd. Bij de voorwaardelijke absolute klachtdelicten vervult de voorwaarde – die zowel in art. 272 lid 2 Sr als in art. 420 Sr aanvangt met ‘indien’ – dus steeds een functie, maar dit is niet dezelfde functie.
Met het oog op de terminologie bij de aanduiding van relatieve klachtdelicten staat art. 316 lid 2 Sr centraal, omdat bij de aanwijzing van relatieve klachtdelicten steevast naar dit wetsartikel is verwezen. Op de betreffende schakelbepalingen wordt hierna dieper ingegaan. Ten aanzien van de terminologie is van belang dat het relatieve klachtvereiste – waarbij het draait om de familiaire band tussen dader en slachtoffer – op twee manieren nadere invulling krijgt in de wettekst. Zo is verwoord dat in geval de dader op de in art. 316 lid 2 Sr vermelde wijze is gelieerd aan het slachtoffer de vervolging ‘voor zover hem betreft’ alleen plaats heeft ‘op een tegen hem gerichte klacht’. Deze woordkeuze heeft twee gevolgen. Ten eerste geldt het klachtvereiste uitsluitend ten aanzien van de verwante dader. Een niet-verwante mededader kan worden vervolgd zonder dat aan het klachtvereiste is voldaan. De wettekst maakt daarnaast duidelijk dat het slachtoffer zich in diens klacht kan beperken tot één of meerdere specifieke personen tot wie hij of zij in een familiare betrekking staat.6 Uit een zaak die in 2016 diende bij de Rechtbank Limburg blijkt dat daadwerkelijk betekenis toekomt aan de wettekst die voorschrijft dat het een ‘tegen hem gerichte klacht’ moet zijn.7 Eén van de tenlastegelegde feiten in die zaak betrof het verwijt dat de moeder, samen met de vader, geld van de bankrekening van hun zoon zou hebben gestolen of verduisterd. De rechtbank constateert dat de klacht van de zoon zich slechts richt tegen de vader, waarna de officier van justitie niet-ontvankelijk is verklaard in de vervolging van de moeder.
Uit dit overzicht van onderzoek naar de terminologie volgt dat de formulering waarmee een strafbaar feit als klachtdelict wordt aangewezen uiteenloopt. Het betreft in een aantal gevallen kleine verschillen in zinsbouw zonder juridische betekenis. Daarnaast springt in het oog dat bij het (jongste) klachtdelict belaging in art. 285b lid 2 Sr de zinsnede ‘tegen wie het misdrijf is begaan’ bewust is verkozen boven de gangbare zinsnede ‘tegen wie het misdrijf is gepleegd’. Die keuze ontbeert echter een gedegen onderbouwing en het onderscheid is voor de rechtspraktijk irrelevant. Veel andere (afwijkende) formuleringen vervullen daarentegen wel een functie, doordat de gekozen bewoordingen direct verband houden met de specifieke wijze waarop invulling wordt gegeven aan het klachtvereiste bij die feiten. Dit betreft ten eerste de groep delicten waarbij ter voorkoming van onduidelijkheid expliciet de klachtgerechtigden zijn benoemd. Dit betreft ten tweede de groep klachtdelicten die eerder in dit hoofdstuk zijn aangeduid als voorwaardelijk absoluut. Ten derde wijs ik op de relatieve klachtdelicten, waarbij in de formulering ligt besloten dat het strafbare feit slechts een klachtdelict betreft ten aanzien van de dader(s) tot wie het slachtoffer in nauwe betrekking staat alsmede dat de klacht tegen een of meerdere personen gericht dient te zijn.
Hoewel de specifieke (uiteenlopende) formulering bij de onderscheiden klachtdelicten veelal een functie vervult, geeft dit toch aanleiding tot het plaatsen van een kritische kanttekening. In hoofdstuk 2 is beschreven dat bij de totstandkoming van het strafwetboek in 1886 discussie is gevoerd over de vraag of Boek I algemene bepalingen betreffende het indienen van klachtdelicten diende te bevatten of dat die bepalingen thuishoorden is het Wetboek van Strafvordering. Minister van Justitie Modderman stelde dat die bepalingen in Boek I van het Wetboek van Strafrecht nodig zijn om te voorkomen dat bij elk afzonderlijk misdrijf dat als klachtdelict wordt aangemerkt in het tweede boek, steeds een nadere omschrijving van de klacht zou moeten worden opgenomen omdat de zin en strekking van de klacht anders onbepaald zou zijn.8 Dat argument verliest aan kracht als wordt vastgesteld dat uiteindelijk in veel gevallen alsnog een nadere omschrijving van de klacht is opgenomen ter duiding van de zin en strekking van de klacht bij de betreffende strafbepaling.