Re-integratie van de zieke werknemer; Nederland, Duitsland en flexicurity
Einde inhoudsopgave
Re-integratie zieke werknemer (MSR nr. 66) 2014/8.2.7:8.2.7 Conclusie
Re-integratie zieke werknemer (MSR nr. 66) 2014/8.2.7
8.2.7 Conclusie
Documentgegevens:
mr.dr. G.A. Diebels, datum 24-09-2014
- Datum
24-09-2014
- Auteur
mr.dr. G.A. Diebels
- JCDI
JCDI:ADS581606:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Europees arbeidsrecht
Rechtswetenschap / Algemeen
Sociale zekerheid arbeidsongeschiktheid / Re-integratie
Arbeidsrecht / Arbeidsovereenkomstenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Re-integratie kwam op in het kader van de regeling rond arbeidsongevallen met als aanleiding de kosten van uitkeringen daarvoor. Deze ontwikkeling is zowel in Duitsland als in Nederland te constateren en in beide landen was sprake van een collectieve sociale verzekering voor een risque professionnel én inzicht in het belang van re-integratie. Het Duitse oorlogsverleden maakte daarnaast aandacht voor re-integratie pure noodzaak. Grote groepen mensen waren getroffen en voor hen moest worden gezorgd. Het ging daarbij in sociale zekerheid primair om gezondheidsherstel; terugkeer naar de arbeid was maar een klein onderdeel van de re-integratieaandacht. Al vroeg ontstond wel de notie dat re-integratie belangrijker was dan een uitkering, waarbij de nadruk meer op de medische kant lag dan op het herstel voor werk. Opmerkelijk is de dwang die kon worden uitgeoefend om er maar voor te zorgen dat ook mensen met een handicap aan de slag zouden kunnen. Een verplicht quotum werd ingevoerd en is sinds 1923 niet weggeweest, maar zelfs versterkt met een boeteregeling.1 Haalde de werkgever het quotum niet dan bestond tot 1974 het middel van contractsdwang; bovendien werd ontslag bemoeilijkt door een preventieve ontslagtoets. Het zou een fout zijn de reikwijdte van de verplichtingen rond gehandicapten te beperkt te zien: veel zieke werknemers vallen onder dat begrip.2
Met het verstrijken van de tijd en de bezuinigingen op de uitgaven voor sociale zekerheid, kreeg re-integratie nog maar weinig aandacht. Het quotum en de boete bleken nauwelijks prikkelende werking te hebben, maar bleven niettemin bestaan. Daarnaast zal ook de diffuse uitvoering van re-integratie door verschillende organen hebben verhinderd dat er werk van re-integratie werd gemaakt. Keerpunt lijkt het invoeren van SGB IX per 1 juli 2001. Door het BAG werd dit moment aangegrepen om -in ontslagzaken- duidelijk te maken dat een actievere werkgeversopstelling bij re-integratie werd verwacht. Voorheen bestond al wel de plicht voor herplaatsing en aanpassing van de arbeidsplaats en een preventieve ontslagtoets voor sommige arbeidsongeschikten, maar met SGB IX werd een strakker kader geschetst. Bovendien kwam de tot dan toe geldende vrijblijvendheid onder druk te staan: de werkgever moest vanaf dat moment werk maken van re-integratie.
De ruimte voor het Duitse beginsel van de vrije zelfbeschikking valt op, omdat dit een aandachtspunt laat zien in vergelijking met de Nederlandse situatie. Rehabilitation is maar in beperkte mate de verantwoordelijkheid van de werknemer (in elk geval op een metaniveau), blijkbaar vanwege het belang dat wordt gehecht aan die vrije zelfbeschikking. Feitelijk zal de werknemer weinig keus hebben en mee moeten werken aan Rehabilitation om niet zijn baan of zijn uitkering te verliezen. Het terug kunnen vallen op het gegarandeerde bestaansminimum zal voor weinigen aanlokkelijk zijn. Samenvattend geldt als leidraad voor de werkgever ‘Reha vor Kündigung’ en voor de werknemer ‘Reha vor Rente’.