De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer
Einde inhoudsopgave
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/3.5.3.1:3.5.3.1 Overeenkomsten in het kader van de 4e Richtlijn
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/3.5.3.1
3.5.3.1 Overeenkomsten in het kader van de 4e Richtlijn
Documentgegevens:
mr. F.J. Blees, datum 29-04-2010
- Datum
29-04-2010
- Auteur
mr. F.J. Blees
- JCDI
JCDI:ADS393614:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor deze overeenkomst www.4directive.org onder het tabblad Public area, official documents, CoB Agreements, Agreement between GF and CB.
Zie www.4directive.org, Public area, official documents, CoB Agreements, Implementing Regulation, Clause 1.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De 4e Richtlijn bracht het huidige art. 24 lid 3 van de Richtlijn, waarin wordt bepaald dat de schadevergoedingsorganen een overeenkomst hebben te sluiten waarin zij hun taken en verplichtingen regelen, alsmede de wijze van terugbetaling van uitgekeerde schadevergoedingen. Omdat de Richtlijn de schadevergoedingsorganen onder bepaalde omstandigheden een regresrecht verleent op het waarborgfonds van de lidstaat van het ongeval of van de lidstaat waar het aansprakelijke voertuig gewoonlijk is gestald, moet een dergelijke overeenkomst echter ook met de waarborgfondsen worden gesloten.
Deze overeenkomst is in 2002 tot stand gekomen.1 In 2004 en 2007 zijn bij de uitbreiding van de EU de betreffende instanties van de nieuwe lidstaten toegetreden.
In de overeenkomst wordt een onderscheid gemaakt tussen de situatie, bedoeld in art. 24 van de Richtlijn, en die van art. 25. Art. 24 van de Richtlijn ziet op de situatie dat het voertuig verzekerd is, maar dat de verzekeraar of diens schaderegelaar niet binnen drie maanden reageert, dan wel niet (voldoende) gemotiveerd.
Ook regelt art. 24 de situatie dat de verzekeraar heeft nagelaten een schaderegelaar aan te stellen. In deze gevallen heeft het schadevergoedingsorgaan van de lidstaat van de woonplaats van de benadeelde, na de benadeelde schadeloos te hebben gesteld, een verhaalsrecht op het schadevergoedingsorgaan van de lidstaat van vestiging van de verzekeraar. In Part 1 van de overeenkomst worden de verhoudingen, de rechten en de verplichtingen van de beide schadevergoedingsorganen in deze situatie geregeld.
Art. 25 van de Richtlijn ziet op de situatie dat het voertuig niet verzekerd is of de verzekeraar niet binnen twee maanden kan worden geïdentificeerd. Ook wordt daar de situatie geregeld dat het aansprakelijke voertuig niet kan worden geïdentificeerd.
In dat geval voorziet de Richtlijn in een regresrecht van het schadevergoedingsorgaan dat de schade met de benadeelde heeft afgewikkeld, op hetzij het waarborgfonds van de lidstaat waar het voertuig gewoonlijk is gestald, hetzij op dat van de lidstaat van het ongeval. Part 2 van de overeenkomst regelt de verhoudingen tussen de schadevergoedingsorganen en de waarborgfondsen in deze situaties.
De overeenkomst tussen de schadevergoedingsorganen en de waarborgfondsen is sterk geïnspireerd door de Internal Regulations van de Council of Bureaux. Met name zijn parallellen aan te wijzen met de procedures van de Council rond restitutie.
Verschillen zijn echter ook te signaleren. Een wezenlijk verschil vloeit voort uit het feit dat de Bureaus op de schadebehandeling hun ‘eigen’ recht toepassen en de schadevergoedingsorganen het voor hen vreemde recht van het land van het ongeval. Het behandelende Bureau is volledig bevoegd het toepasselijk recht te interpreteren, het behandelende schadevergoedingsorgaan heeft instructie te vragen aan het garanderende schadevergoedingsorgaan of waarborgfonds.
Evenals in de overeenkomsten tussen de Bureaus is ook in die tussen de schadevergoedingsorganen en de waarborgfondsen in arbitrage voorzien.
In 2006 hebben de schadevergoedingsorganen en de waarborgfondsen een Implementing Regulation opgesteld, die de onderlinge werkwijze gedetailleerder regelt dan de overeenkomst zelf en haar bovendien in een aantal opzichten ‘uitlegt’.
Bovendien hebben zij een Coordination Committee ingesteld om de samenwerking tussen deze instellingen te bevorderen.2
Ook hier geldt dat deze overeenkomsten alleen partijen binden en dat de rechten van derden er niet door kunnen worden beperkt. De vraag wat dit betekent voor de positie van met name benadeelden en voor het onderlinge regres tussen deze organen, komt uitvoeriger aan de orde in de hoofdstukken 4 en 6.