Einde inhoudsopgave
Voor risico van de ondernemer (O&R nr. 142) 2023/1.4.1
1.4.1 Het buitencontractuele aansprakelijkheidsrecht
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden, datum 01-06-2023
- Datum
01-06-2023
- Auteur
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden
- JCDI
JCDI:ADS713147:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Op sommige plekken wordt wel verwezen naar het contractenrecht, maar deze verwijzingen dienen slechts ter illustratie. Een voorbeeld is de wijze waarop ‘de hoedanigheid van partijen’ een gezichtspunt vormt in de contextuele beoordeling (par. 6.3).
Tjittes 1994. De indeling die hij maakte, wordt nu overigens ter discussie gesteld. Zie bijvoorbeeld over de opkomst van de ‘prosument’: Mak, NJB 2022/1663.
HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG5158, NJ 1981/635, m.nt. C.J.H. Brunner (Haviltex); HR 17 september 2004, NJ 2005/169, m.nt. J.H. Spoor (Wessanen/Nutricia), r.o. 3.3.2; Gerechtshof Amsterdam, ECLI:NL:GHAMS:2012:BX4596, JOR 2012/340, m.nt. B.A. Schuijling (Intergamma/Coface Finanz), r.o. 4.10; HR 21 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:682, NJ 2015/167 (Coface/Intergamma).
Tjittes 1994, p. 163, 253-254.
Wolters 2013.
Het is dan ook omwille hiervan dat bijvoorbeeld Van Schilfgaarde eerder heeft gesteld dat zorgplichten hun grondslag vinden in buitenjuridische, maatschappij-ethische gronden. Van Schilfgaarde, annotatie sub 1, bij: HR 11 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO9577, NJ 2011/305 (Belastingdienst Limburg/N. c.s.). In mijn beschouwing betrek ik echter alleen zaken waarin schadevergoeding wordt gevorderd en niet waar de ontbinding of vernietiging van het contract centraal staat. Ik ga niet in op de verhouding tussen de informatieplichten in het kader van het dwalingleerstuk en de informatieplichten in het kader van de onrechtmatige daad. Zie hierover: concl. A-G Wissink, ECLI:NL:PHR:2019:332, punt 7, bij: HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:591, NJ 2019/163.
Wanprestatie is een lex specialis van de onrechtmatige daad. Zie hierover: Nelemans & Hendrikse, NTHR 2020, p. 154-166.
Janssen 2017, par. 3.3.2.5.
Concl. A-G Hartlief, ECLI:NL:PHR:2019:826, punt 3.8, bij: HR 10 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:28, NJ 2020/121, m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai: “Kortom, in alle gevallen waarin een bijzondere zorgplicht van de bank wordt aangenomen (of dat nu in een precontractuele, contractuele of buitencontractuele setting is), wordt (zij het al naar gelang de situatie in het kader van uiteenlopende grondslagen) uiteindelijk steeds de rechtvaardiging voor de bijzondere zorg gezocht in de maatschappelijke functie van de bank, de (veronderstelde) professionaliteit en deskundigheid van de bank en juist het (veronderstelde) gebrek daaraan bij de cliënt of de derde.”
Anders Nelemans & Hendrikse, NTHR 2020, die bijvoorbeeld ‘de aard van het product of de dienstverlening’ of ‘de hoedanigheid van partijen’ zien als kenmerkende omstandigheid voor het contractenrecht. Zoals ik in dit proefschrift betoog, gelden deze elementen ook in het kader van de onrechtmatige daad. Zoals Van Laarhoven (Van Laarhoven 2006) terecht aanvoert, lijken wanprestatie en onrechtmatige daad steeds meer naar elkaar toe te groeien. Zo is niet alleen de partijbedoeling (Haviltex) van belang in het contractenrecht en speelt bij onrechtmatige daad ook steeds de aard van de rechtsverhouding (en de hoedanigheid van partijen) een rol.
Zie in gelijke zin: concl. A-G Wissink, ECLI:NL:PHR:2015:1975, punt 5.3 bij: HR 27 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3399NJ 2016/245, JOR 2016/34.
Dit proefschrift beperkt zich tot het buitencontractuele aansprakelijkheidsrecht. Het contractenrecht wordt grotendeels1 buiten beschouwing gelaten. De reden hiervoor is dat de betekenis van de hoedanigheid van de ondernemer voor het contractenrecht reeds is onderzocht.2 Zo wordt algemeen aangenomen dat de onderlinge hoedanigheid van betrokken partijen van belang is voor de uitleg van een contractsbepaling3 en wordt in het kader van een beroep op dwaling doorgaans meer waarde gehecht aan de eigen onderzoeksplicht van de ondernemer.4 Verder speelt de professionaliteit van partijen een rol bij de invulling van de redelijkheid en billijkheid.5
Zoals ik hieronder nader toelicht, vormt de (buitencontractuele) aansprakelijkheid van financiële ondernemers een onderdeel in dit proefschrift. Dit rechtsgebied bevindt zich op de scheidslijn van het contractenrecht en het aansprakelijkheidsrecht. De civielrechtelijke zorgplicht van de financiële ondernemer speelt immers zowel een rol in contractuele als in buitencontractuele relaties. De zorgplichten in het contractenrecht en het buitencontractuele aansprakelijkheidsrecht zijn dogmatisch gezien verschillende verplichtingen. In de praktijk wordt dit onderscheid niet zo scherp gemaakt. Vaak laat de rechter zich niet uit over de specifieke grondslag, maar past hij alleen de ‘bijzondere (civielrechtelijke) zorgplicht’ toe.6 Daarnaast komt het vaak voor dat, ondanks het bestaan van een contractuele relatie, als juridische grondslag voor de onrechtmatige daad wordt gekozen. Hoewel deze vervaging vanuit dogmatisch oogpunt niet zuiver is,7 maakt het vanuit praktisch oogpunt niet zo’n groot verschil.8 De ratio voor het bestaan van een zorgplicht is bovendien in beide gevallen gelijkluidend.9 Het leerstuk krijgt kleur door de rechtsbetrekking tussen partijen en alle omstandigheden van het geval. Deze omstandigheden verschillen niet heel erg in geval van wanprestatie of onrechtmatige daad.10 Vergelijkbare omstandigheden spelen zowel een rol in het kader van het contractenrecht als in het kader van het aansprakelijkheidsrecht. Met andere woorden, de aanwezigheid van een contract is niet per se reden voor differentiatie.11 Dit proefschrift focust aldus op de buitencontractuele aansprakelijkheid.
Het ondernemingsrecht vormt geen onderdeel van het onderzoek. De voornaamste reden is dat onderhavig onderzoek de relatie tussen de rechtspersoon en de benadeelde derde onderzoekt. Hoewel er wetsbepalingen te vinden zijn in Boek 2 die deze relatie regelen,12 ziet het merendeel van de wetsbepalingen van het ondernemingsrecht op de interne structuur van de onderneming.