Einde inhoudsopgave
Voor risico van de ondernemer (O&R nr. 142) 2023/1.4.2
1.4.2 Gevaarzetting, financiële aansprakelijkheid en kwalitatieve aansprakelijkheden
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden, datum 01-06-2023
- Datum
01-06-2023
- Auteur
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden
- JCDI
JCDI:ADS713188:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Leerstukken die niet worden behandeld, zijn: beroepsaansprakelijkheid, oneerlijke mededinging en concurrentie, oneerlijke handelspraktijken, uitlokken van wanprestatie, aansporing tot staking, werkgeversaansprakelijkheid, misbruik van bevoegdheid en misbruik van recht, benadeling van schuldeisers en hinder.
Jansen, in: GS Onrechtmatige daad, art. 6:162 BW, aant. 8.4.1 (online, laatst bijgewerkt: 1 december 2020). Ook (of beter gezegd: juist) als men de visie volgt dat in het kader van de wetsschending en de rechtsinbreuk alsnog getoetst moet worden aan de maatschappelijke betamelijkheid (de zogeheten leer-Smits), is bespreking van deze onrechtmatigheidscategorieën niet nodig.
Jansen, in: GS Onrechtmatige daad, art. 6:162 BW, aant. 6.2.2 (online, laatst bijgewerkt: 1 december 2020); Hartlief, RM Themis 2019, p. 21.
Zie voor het onderscheid tussen ‘zorgvuldigheidsnorm’ en ‘zorgplicht’: par. 1.6.2.
Jansen, in: GS Onrechtmatige daad, art. 6:162 BW, aant. 6.3.9.7 (online, laatst bijgewerkt: 1 december 2020); Hartlief 2002, p. 484; Weenink 2009/2, p. 46; Jansen, WPNR 2010/6853, p. 623-633; Barneveld 2011, p. 208; Meijs, MvV 2013, p. 351.
Jansen, in: GS Onrechtmatige daad, art. 6:162 BW, aant. 6.3.9.7 (online, laatst bijgewerkt: 1 december 2020); Barneveld p. 208; A. Karapetian, annotatie, voetnoot 14, bij: HR 4 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1491, TvI 2020/18.
Het gezichtspunt ‘de aard van het product’ correspondeert met de tweede en derde Kelderluikfactor, het gezichtspunt ‘de aard van de wederpartij’ komt overeen met de eerste factor en ‘aard van de rechtsverhouding’ is van belang bij alle vier de Kelderluikfactoren. Het gezichtspunt ‘aard van de dienstverlener’ vertoont van verwantschap met ‘hoedanigheid van onderneming’.
Hoofdstuk 6, 9.
Dit laatste is de reden dat bijvoorbeeld de regeling omtrent oneerlijke handelspraktijken (art. 6:193a e.v. BW), het mededingingsrecht (art. 6:193k e.v. BW) en de regeling omtrent misleidende en vergelijkende reclame (art. 6:194 e.v. BW) buiten beschouwing wordt gelaten.
Het buitencontractuele aansprakelijkheidsrecht is een omvangrijk rechtsgebied. Dit proefschrift beoogt geen uitputtend overzicht te geven van de betekenis van de hoedanigheid van ondernemer voor alle denkbare situaties.1 Het onderzoek is beperkt tot de volgende terreinen: gevaarzetting, financiële aansprakelijkheid, kwalitatieve aansprakelijkheden voor gebrekkige zaken, productaansprakelijkheid en aansprakelijkheid voor gevaarlijke stoffen.
De onrechtmatige daad (art. 6:162 BW) vormt de kern van het buitencontractuele aansprakelijkheidsrecht. Vanzelfsprekend vormt dit leerstuk daarom de kern van dit proefschrift. Art. 6:162 BW geeft drie onrechtmatigheidscategorieën: handelen in strijd met een wettelijke plicht, rechtsinbreuk en de schending van de maatschappelijke betamelijkheid (art. 6:162 lid 2 BW) (hierna ook de ‘zorgvuldigheidsnorm’ genoemd). De focus van dit proefschrift ligt voornamelijk op de laatste categorie. De reden hiervoor is dat de onrechtmatigheid bij de eerste twee categorieën “zonder aanzien des persoons [wordt] vastgesteld.”2 Op de onrechtmatigheidscategorie ‘schending van de maatschappelijke betamelijkheid’ is een groot aantal zorgvuldigheidsnormen gestoeld. Vanwege de beperkte tijd van het promotietraject, beperk ik mij tot de analyse van het gevaarzettingsleerstuk. Omdat veiligheidsnormen van bredere betekenis zijn, worden zij tevens toegepast buiten typische gevaarzettingssituaties.3
Daarnaast vormt de (buitencontractuele) zorgplicht van de financiële onderneming een onderdeel van deze studie.4 Het financiële aansprakelijkheidsrecht heeft zich de afgelopen jaren enigszins onafhankelijk van het klassieke gevaarzettingsleerstuk ontwikkeld door de invloed van publiekrechtelijke regelgeving. Toch zijn er veel parallellen te trekken tussen het traditionele gevaarzettingsleerstuk en het financiële aansprakelijkheidsrecht. Hoewel het in zaken betreffende financiële aansprakelijkheid draait om zuivere vermogensschade, is in de literatuur aangevoerd dat de onrechtmatigheidsvraag beantwoord kan worden naar analogie van de gevaarzettingsjurisprudentie.5 Er wordt ook wel gesproken over ‘financiële gevaarzetting’.6 Deze analogie is niet verwonderlijk, aangezien zowel in klassieke gevaarzettingssituaties als in gevallen van financiële aansprakelijkheid een afweging moet worden gemaakt tussen risico en zorg. Omstandigheden die van belang zijn in het financiële aansprakelijkheidsrecht corresponderen met de Kelderluikfactoren.7 Daarbij komt dat dit leerstuk met name interessant is voor onderhavig onderzoek omdat dit terrein bij uitstek een terrein is waarin de aangesproken partij een ondernemer is en waarin de ‘maatschappelijke positie’ van de ondernemer een argument vormt voor het bestaan, de inhoud en de omvang van de zorgplicht.8
Verder zijn de kwalitatieve aansprakelijkheden voor gebrekkige zaken (art. 6:173 en 6:174) onderwerp van deze studie. Voor deze bepalingen geldt dat zij (via de indirecte werking van gedragsnormen en de tenzij-formules) zijn verbonden met de onrechtmatigedaadsregeling. Bovendien kan onderzocht worden of de gebrekkigheid een andere invulling krijgt indien de zaken al dan niet bedrijfsmatig gebruikt worden (art. 6:181 BW). Verder is ervoor gekozen om de artikelen 6:175, 6:176 en 6:177 BW te betrekken in de analyse, omdat de normadressaat van deze artikelen (voornamelijk) een bedrijf is en omdat deze artikelen nauw verwant zijn aan het gevaarzettingsleerstuk.9 Hetzelfde geldt voor de aansprakelijkheid van de producent (art. 6:185 BW). De strenge aansprakelijkheid van de producent geldt immers niet voor de partij die in privé een product produceert (de privé-exceptie)(art. 6:185 lid 1 sub c BW).