Einde inhoudsopgave
Voor risico van de ondernemer (O&R nr. 142) 2023/1.4.3
1.4.3 Daad, daderschap, onrechtmatigheid en toerekenbaarheid
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden, datum 01-06-2023
- Datum
01-06-2023
- Auteur
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden
- JCDI
JCDI:ADS713122:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Brunner, VR 1981, p. 234.
Zie hierover: Van der Kooij 2019/238-240, p. 50-151, met verdere verwijzingen.
Zie bijvoorbeeld Franken 2022, p. 385 e.v., waar hij bespreekt welke invloed de bijzondere positie van de laedens heeft op het schadebegrip. Vgl. HR 30 augustus 2019, ECLI:NL:HR:2019:1291, NJ 2020/120, m.nt. S.D. Lindenbergh (Vianen/X), waar de vermogensschade bestond in verloren ondernemingswaarde.
Zie hierover: Lindenbergh 1998, p. 55 e.v.; Asser/Sieburgh 6-IV 2019/297; Asser/Kroeze 2-I 2021/59; Lindenbergh, NTBR 2022/37. Zie voor een EVRM-perspectief: Wilcox 2016. Zie voor een beschouwing over de invloed van de hoedanigheid van particulier op de interpretatie van het schadebegrip: Verheij & Emaus 2022.
Castermans, NTBR 2015/30.
In dit proefschrift staan de vereisten ‘daad’, ‘daderschap’, ‘onrechtmatigheid’ en ‘toerekenbaarheid’ centraal. Een nadere bespreking van deze vereisten komt aan bod in hoofdstuk 2.
Het is de vraag of de hoedanigheid van ondernemer tevens een rol speelt in het kader van de redelijke toerekening op grond van art. 6:98 BW. Zo luidt een van de deelregels van Brunner dat schade toegebracht tijdens bedrijfsuitoefening eerder kan worden toegerekend dan schade toegebracht door een beroepsbeoefenaar of een particulier.1 Over het bestaan van deze deelregel bestaat discussie.2 Deze discussie blijft in dit proefschrift echter buiten beschouwing.
Daarnaast is het niet onaannemelijk dat de hoedanigheid van ondernemer ook als omstandigheid meespeelt bij de invulling van het schadebegrip.3 Met name de interpretatie van immateriële schade van een rechtspersoon kan problematisch zijn. Bij immateriële schade gaat het immers vaak om de krenking van belangen die een rechtspersoon vreemd zijn, zoals de geestestoestand van de benadeelde. De mogelijkheden om immateriële schade toe te kennen aan de rechtspersoon, de obstakels die hierbij optreden en de wenselijkheid van smartengeld voor rechtspersonen blijven buiten beschouwing.4
Voorts is de vermogendheid van de dader van belang voor de mogelijkheid tot matiging van de schadeomvang op grond van art. 6:109 BW.5 De betekenis van de hoedanigheid van de dader voor het matigingsrecht is geen onderdeel van dit proefschrift.