De invloed van werknemers op de strategie van de vennootschap
Einde inhoudsopgave
De invloed van werknemers op de strategie van de vennootschap (IVOR nr. 95) 2014/1.5:5 De positie van de Europese ondernemingsraad in Nederland
De invloed van werknemers op de strategie van de vennootschap (IVOR nr. 95) 2014/1.5
5 De positie van de Europese ondernemingsraad in Nederland
Documentgegevens:
mr. M. Holtzer, datum 03-04-2014
- Datum
03-04-2014
- Auteur
mr. M. Holtzer
- JCDI
JCDI:ADS391214:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Vanuit internationaal perspectief lijkt de Europese ondernemingsraad op het eerste gezicht goed gepositioneerd, althans beter dan de lokale ondernemingsraad, om de besluitvorming op dat niveau te beïnvloeden. Op nationaal niveau wordt over het algemeen aangenomen dat het lokale beleid een aangelegenheid voor de lokale ondernemingsraad betreft; de Europese ondernemingsraad is er voor de grote lijnen van het internationale beleid en voor grensoverschrijdende aangelegenheden. Die perceptie is niet in alle gevallen juist, aangezien het de bedoeling van de Europese regelgeving is dat het effect van informatie en consultatie op Europees niveau mede voelbaar is op lokaal niveau. Op 16 december 2008 heeft het Europees Parlement de tekst van een voorstel tot herziening van de richtlijn inzake de Europese ondernemingsraad aanvaard.1 Het doel van die herziening was om de Europese ondernemingsraad meer bevoegdheden toe te kennen.2 Ik zal de vraag behandelen of de wijziging van de richtlijn op deze punten een wezenlijke versterking van de positie van de Europese ondernemingsraad inhoudt.
De jurisprudentie van het Hof van Justitie lijkt erop te duiden dat de Europese medezeggenschap het door de Europese wetgever gewenste niveau nog niet heeft bereikt, aangezien deze uitspraken uitsluitend betrekking te hebben op een voorfase van medezeggenschap, te weten (de onderhandelingen rondom) de oprichting en de continuering van de medezeggenschap van de Europese ondernemingsraad.3
Inmiddels is ook een aantal, in Nederland vrijwel onbekende, uitspraken van buitenlandse rechters voorhanden, waaruit blijkt dat Europese en lokale ondernemingsraden in sommige gevallen met succes procederen om hun Europese medezeggenschapsrechten geldend te maken. In die uitspraken gaat het niet langer om het bestaansrecht van de Europese ondernemingsraad, maar om de inhoud van zijn rechten. Ik zie een ontwikkeling tot een grotere bewustwording van het Europese medezeggenschapsrecht in het buitenland en stel de vraag wat dit voor de Nederlandse praktijk kan betekenen. Bij de beantwoording van die vraag kijk ik naar het verschil tussen de Europese ondernemingsraad van een in Nederland gevestigd concern en van een buitenlandse groep, en naar de relatie tussen de Europese en de lokale ondernemingsraad. Afhankelijk van de inhoud van die relatie en de structuur van het concern kunnen deze medezeggenschapsorganen elkaar versterken of een gevaar voor elkaar vormen.