Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/6.2.10
6.2.10 De vergrijpboete van art. 10a AWR
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940720:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 5.2.2.3.
Uit de formulering van art. 15 UBOB volgt dat het niet-suppleren nadat in het geheel geen aangifte is gedaan, niet beboetbaar is, zie Rb Noord-Nederland 12 juli 2018, V-N 2018/55.17, r.o. 6.2 en verder.
Vgl. in dit verband de uiterste termijn die geldt voor vrijwillige verbetering, zie paragraaf 9.4.5.
Art. 15 lid 3 UBOB. Hiervoor is een digitaal formulier ‘Suppletie omzetbelasting’ aangewezen. De enkele vermelding van omzetbelastingschulden in de aangifte Vpb of in daarbij gevoegde bijlagen (zoals jaarstukken) voldoet niet aan de vormvereisten, zie HR 31 maart 2023, V-N 2023/16.15, r.o. 3.2.2.
Zie voor enkele voorbeelden: HR 24 september 2021, V-N 2021/40.16, BNB 2022/29 en Hof Arnhem-Leeuwarden 12 juli 2022, V-N 2022/50.25.9. Zie ook HR 31 maart 2023, V-N 2023/16.15.
Bestanddelen
Art. 10a AWR is een raambepaling, die alleen in algemene zin het niet nakomen van bepaalde, bij AMvB aangewezen spontane informatieverplichtingen beboetbaar stelt.1 Dat betekent dat de volledige delictsomschrijving moet worden afgeleid door art. 10a AWR te lezen in samenhang met de betreffende bepaling uit de AMvB. De precieze delictsomschrijving verschilt dus van geval tot geval. Het bewijsobject is immers afhankelijk van het antwoord op de vraag welke informatieverplichting is geschonden. Het bestaan en de inhoud van die informatieverplichting volgt (alleen) uit de AMvB.
Uit art. 10a AWR volgt dat in zijn algemeenheid moet worden bewezen dat:
de betreffende informatieverplichting is aangewezen in een AMvB;
één of meer onderdelen van de informatieverplichting niet zijn nagekomen;
het niet nakomen van de informatieverplichting aan opzet of grove schuld van de belasting- of inhoudingsplichtige is te wijten.
Zowel de materiële als de formele voorwaarden van de informatieverplichting staan in de relevante bepaling uit de AMvB. Daarom moet (ook) steeds worden bewezen dat:
er sprake is van een onjuistheid of onvolledigheid in de voor de belastingheffing van belang zijnde gegevens of inlichtingen, die de belastingplichtige of inhoudingsplichtige bekend is of is geworden;
de belastingplichtige of inhoudingsplichtige die onjuistheid of onvolledigheid
niet binnen de gestelde termijn
of
niet op de voorgeschreven wijze aan de inspecteur heeft medegedeeld.
Zo is op grond van art. 10a AWR juncto art. 15 UBOB beboetbaar gesteld: het niet voldoen aan de verplichting om de inspecteur bij wijze van suppletie spontaan mededeling te doen van het feit dat een aangifte omzetbelasting over een tijdvak in de afgelopen vijf jaren onjuist of onvolledig is gedaan.2 Die suppletie moet de juiste en volledige inlichtingen, gegevens en aanwijzingen bevatten. De suppletie moet worden gedaan voordat de belastingplichtige weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de inspecteur met de onjuistheid of onvolledigheid bekend zal worden.3 Verder is bepaald dat de suppletie ‘zo spoedig mogelijk’ en ‘op de door de inspecteur aangewezen wijze’ moet geschieden.4 Als de belastingplichtige de suppletie opzettelijk of grofschuldigniet, niet tijdig of niet op de voorgeschreven wijze doet, kan terzake de vergrijpboete van art. 10a AWR worden opgelegd.5
Opmerkingen
-