Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/6.2.9
6.2.9 Betaalvergrijpboete aangiftebelastingen (art. 67f AWR)
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940225:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie daarom ook paragraaf 6.2.4.
Zie art. 19 lid 2 onderdeel b AWR. Het gaat om gevallen waarin er over hetzelfde of een aansluitend tijdvak min of meer gelijktijdig een verzoek aanhangig is gemaakt om teruggaaf van belasting.
Art. 67f lid 6 AWR. Zie voor een voorbeeld: Hof Arnhem-Leeuwarden 23 mei 2018, V-N 2018/31.22, r.o. 4.10-4.13, waaruit volgt dat het tijdstip waarop het verzoek is gedaan, medebepalend is voor het moment waarop het beboetbare feit is begaan. Dat tijdstip is zelfs maatgevend, zie HR 7 juli 2023, V-N 2023/32.14, BNB 2023/124, r.o. 4.7.1.
Bestanddelen
Deze vergrijpboete kan worden opgelegd in verband met de vaststelling van een naheffingsaanslag. De betaalvergrijpboete van art. 67f AWR is voor wat betreft de omschrijving van het beboetbare feit het vergrijpequivalent van de betaalverzuimboete van art. 67c AWR.1
Vanwege de verwijzing naar ‘de in de belastingwet gestelde termijn’2 in de delictsomschrijving kan er ook bij de vergrijpvariant pas sprake zijn van een beboetbare fout wanneer:
(bij tijdvakbelastingen) het tijdvak waarover de belasting moet worden voldaan of afgedragen, is verstreken, dan wel
(bij tijdstipbelastingen) er een tijdstip is geweest waarop de belastingschuld is ontstaan;
en de reguliere termijn van een maand na het einde van dat tijdvak of dat tijdstip is verstreken
en – indien uitstel voor het doen van aangifte is verleend –
ook de duur van het uitstel voor het doen van aangifte is verstreken (deze wordt opgeteld bij de reguliere termijn van een maand)3
ofwel
niet (meer) aan de voorwaarden voor dat uitstel wordt of is voldaan;
en (bij tijdvakbelastingen) – indien uitstel van de voldoening of afdracht is verleend – de termijn van dat uitstel is verstreken.4
Er zijn dan drie mogelijkheden:
óf de betaling is na het verstrijken van de (uitstel)termijn helemaal niet gedaan,
óf de betaling is na het verstrijken van de (uitstel)termijn niet in zijn geheel gedaan,
óf de betaling is wél (volledig) gedaan, maar pas na het verstrijken van de toepasselijke (uitstel)termijn.
Met geheel of gedeeltelijk niet betalen wordt volgens art. 20 AWR gelijkgesteld het geval waarin (naar aanleiding van een gedaan verzoek) ten onrechte of tot een te hoog bedrag vrijstelling of vermindering van inhouding, dan wel teruggaaf van belasting is verleend. In die gevallen kan de inspecteur dus ook naheffen. Deze gelijkschakeling werkt door naar de betaalvergrijpboete van art. 67f AWR: de vergrijpboete kan dus ook worden opgelegd als er achteraf bezien om een te hoge vrijstelling, vermindering, of teruggaaf is verzocht, die vervolgens ook is verleend.5
Voor het kunnen opleggen van de vergrijpboete van art. 67f AWR is ten slotte hetzij opzet, hetzij grove schuld vereist, zodat ook moet worden bewezen dat
het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige of de inhoudingsplichtige is te wijten dat de betaling niet, niet in zijn geheel of pas na het verstrijken van de toepasselijke (uitstel)termijn is gedaan.
Opmerkingen
De eerste opmerking ter zake van de betaalverzuimboete bij aangiftebelastingen, gemaakt in paragraaf 6.2.4 hiervoor, geldt evenzeer voor de betaalvergrijpboete van art. 67f AWR (ter zake van koppeling van de betaling aan de aangifte).
De tweede aldaar gemaakte opmerking is bij de betaalvergrijpboete van art. 67f AWR minder relevant, omdat er bij de vergrijpvariant altijd sprake is van een naheffingsaanslag.