Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/6.2.1
6.2.1 Inleiding
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940403:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Koopman 1996, p. 195 bovenaan.
Zie paragraaf 6.2.2.
Zie daarover paragraaf 12.4.1.
Hoe de bewijspositie in andere situaties precies uitpakt, is niet glashelder. Naar mijn mening brengt de onschuldpresumptie mee dat de inspecteur altijd (bijvoorbeeld ook als de boeteling zwijgt) bewijs moet leveren van de elementen van de delictsomschrijving, waarop de rechter moet toezien. Zie daarover paragraaf 12.4.1.3.
Dergelijke aspecten komen in algemene zin nader aan de orde in paragraaf 9.4. Zie voorts paragraaf 12.3.3 (verjaring) en paragraaf 15.2 (gelijktijdigheidseis).
Zie daarover nader paragraaf 14.4 en paragraaf 9.4.17.
In de delictsomschrijving van alle algemeen geldende fiscale bestuurlijke boetes uit Afdeling 1 van Hoofdstuk VIIIA van de AWR komen ten minste twee elementen voor: het kwaliteitsvereiste en een omschrijving van het kale beboetbare feit. Met betrekking tot verzuimboetes is de kous daarmee af. Bij vergrijpboetes bevat de delictsomschrijving nog een derde element: de vereiste schuldgradatie (opzet of grove schuld). In paragraaf 6.2.2 en verder behandel ik achtereenvolgens de delictsomschrijvingen van de verschillende algemeen geldende fiscale bestuurlijke boetes. Daarbij ga ik met name in op de bestanddelen van het kale beboetbare feit. De schuldgradaties en het kwaliteitsvereiste komen, zoals is vermeld, in paragraaf 6.4 respectievelijk paragraaf 6.5 afzonderlijk aan de orde.
Voor wat betreft het kale beboetbare feit zijn de meeste bestanddelen letterlijk (expliciet) in de delictsomschrijving opgenomen. Vooral bij boetes die zien op het schenden van de aangifteverplichting, komt het echter voor dat in de delictsomschrijving ook één of meer impliciete bestanddelen besloten liggen.1 Die impliciete bestanddelen kunnen dan worden afgeleid uit de wettelijke voorschriften die de overtreden norm als zodanig (het tijdig doen van aangifte) omschrijven.2 Zo kan een boete wegens het niet of te laat doen van aangifte voor een aanslagbelasting pas worden opgelegd als de belastingplichtige daartoe eerst rechtsgeldig is aangemaand.3
In het navolgende volgt steeds een opsomming van alle potentieel te bewijzen bestanddelen zoals die in de delictsomschrijving zijn opgenomen of daaruit kunnen worden afgeleid. Of en in hoeverre al die te onderscheiden bestanddelen in de praktijk ook daadwerkelijk bewijslevering behoeven, hangt af van het proces van bewijsvoering.4 Zo is het bijvoorbeeld mogelijk dat de boeteling het begaan van het beboetbare feit in al zijn elementen ruiterlijk erkent. In een dergelijk geval hoeft de inspecteur geen (ander) bewijs meer te leveren van al die afzonderlijke elementen.5
Voor de goede orde merk ik verder op dat in dit hoofdstuk alleen het bewijsobject zoals dat in de delictsomschrijving is opgenomen aan de orde komt. Het gaat dus om de vraag: wat moet volgens de delictsomschrijving worden bewezen? Daarvan moet worden onderscheiden het vraagstuk van de verdeling van de bewijslast (wie moet wat bewijzen?). Dat vraagstuk komt, voor wat betreft de elementen van de delictsomschrijving, in paragraaf 9.3 aan de orde. Ook andere onderwerpen die niet zijn terug te voeren op (de bestanddelen van) de delictsomschrijving, zoals verjaring of de eis dat de boete veelal tegelijk met de belastingaanslag moet worden opgelegd, laat ik in dit hoofdstuk buiten beschouwing.6 De verjaringstermijn en de gelijktijdigheidseis zijn namelijk geen onderdeel van de delictsomschrijving. Ook de strafmaat (de hoogte van de boete) komt in dit hoofdstuk niet aan de orde.7