Einde inhoudsopgave
Grenzen van het strafrecht in de voorfase (SteR nr. 60) 2023/5.4.4
5.4.4 Gebrek aan specificiteit
mr. E.A.J. Nab, datum 12-01-2023
- Datum
12-01-2023
- Auteur
mr. E.A.J. Nab
- JCDI
JCDI:ADS715480:1
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De Roos 1987, p. 77.
Buruma signaleert bijvoorbeeld dat er (wellicht om deze reden) steeds minder beperkende bestanddelen worden opgenomen (Buruma 2003, p. 77).
Jakobs 1991, p. 78; De Roos 1987, p. 77.
Kamerstukken II 1991/92, 22268, nr. 5, p. 5.
Kamerstukken II 1991/92, 22268, nr. 5, p. 9-10.
Kamerstukken II 1991/92, 22268, nr. 5, p. 9.
De Vries-Leemans 1995, p. 265 en 295. In Engeland vervulde conspiracy een vergelijkbare functie (Reijntjes 1977, p. 422). Ook sollicitation – dat een veel ruimer werkingsbereik heeft dan de Nederlandse leerstukken van uitlokking en opruiing – kan daarbij worden genoemd (Reijntjes 1977, p. 421).
De Jong 1992, p. 51.
Sackers 2007, p. 131. Vgl. ook: Rozemond 1999, p. 118.
Groenhuijsen 1991, p. 424-425.
Groenhuijsen 1991, p. 425.
Dat lijkt niet het geval, nu de wetgever het begrip ‘gegevensdrager’ (de opvolger van het begrip ‘informatiedrager’) definieert als “een voorwerp waarop gegevens kunnen worden of zijn opgeslagen” (Kamerstukken II 1991/92, 21551, nr. 11, p. 4).
Kristen 2011, p. 326; Borgers 2008, p. 193. Zie bijvoorbeeld: EHRM 21 oktober 2013, ECLI:CE:ECHR:2013:1021JUD004275009 (Del Río Prada v. Spanje), par. 92-93; EHRM 25 mei 1993, ECLI:CE:ECHR:1993:0525JUD001430788 (Kokkinakis v. Griekenland), par. 40; HR 31 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7954 (Krulsla), r.o. 3.4; Groenhuijsen & Kristen 2001, p. 341. Zie ook: Kamerstukken II 1991/92, 22268, nr. 5, p. 4.
Ook vanuit functionalistisch oogpunt is een gebrek aan specificiteit van strafbepalingen te bekritiseren. Het zou volgens sommige auteurs namelijk de geloofwaardigheid en effectiviteit van de handhaving ondermijnen als allerlei niet-strafwaardig of zelfs wenselijk gedrag onder delictsomschrijvingen zou vallen.1 Tegelijkertijd is een zekere mate van algemeenheid vaak juist handig vanuit praktisch oogpunt. Elk beperkend bestanddeel staat immers potentieel in de weg aan de inzetbaarheid van een strafbepaling, zodat niet al te enthousiast de reikwijdte van een bepaling met extra bestanddelen moet worden ingeperkt.2 Het lijkt weinig efficiënt om een delictsomschrijving zo specifiek en nauwkeurig af te bakenen dat de omschreven gedraging zich daardoor in de praktijk vrijwel nooit zal voordoen.3 Ook dreigt het in §5.4.2.1 reeds genoemde gevaar dat het wetboek dan de omvang van een telefoonboek zou krijgen en daardoor alsnog ondoorgrondelijk wordt. De minister waarschuwde dan ook dat al te veel nadruk op het lex certa-beginsel de strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen ineffectief zou maken.4 Anders bestaat zelfs het risico van dubbel werk, in die zin dat die bestanddelen later weer moeten worden geschrapt, zoals bij voorbereiding met het verenigingsvereiste is gebeurd.5 Dat verenigingsvereiste was volgens de wetgever in eerste instantie opmerkelijk genoeg juist nodig omdat het feit anders niet te bewijzen zou zijn.6 Achteraf lijkt paradoxaal genoeg eerder het omgekeerde het geval te zijn geweest.
Een ander praktisch voordeel van ruime, algemene voorfasedelicten is dat voorfasedelicten dan als vangnet kunnen fungeren in gevallen waarin het voltooide delict niet kan worden bewezen. Die functie heeft bijvoorbeeld ook artikel 140 Sr gekregen.7 Het voorbeeld van artikel 140 Sr illustreert tegelijkertijd dat een zekere mate aan algemeenheid wetgeving ook toekomstbestendiger kan maken. Artikel 140 Sr werd immers, na een lange periode van een vooral sluimerend bestaan, door het OM herontdekt en – eigenlijk tegen de oorspronkelijke ratio achter het artikel in – ingezet om vervolging mogelijk te maken in gevallen waarin reeds een rechtsgoederenkrenking was voltooid, maar waarin het bewijs daarvan moeilijk te geven was.8 Dat illustreert ook mooi het belang dat wetshandhavers ervaring opdoen met bepaalde strafbepalingen. Ook dat zou bijdragen aan de effectiviteit van strafbepalingen. Zo stelt Sackers dat het OM een voorkeur zou hebben voor brede containerdelicten, omdat het gebruiken van gedetailleerde, obscure strafbepalingen onzekerheid over bewijstechnische risico’s met zich brengt.9 Gelet op het voorgaande is het wel begrijpelijk dat Groenhuijsen zeer voorzichtig is met het leveren van kritiek op het toch duidelijk wel ruim opgezette artikel 140 Sr. Het artikel is zijns inziens namelijk mogelijk wel noodzakelijk voor de effectieve bestrijding van allerlei moderne vormen van criminaliteit, die de wetgever van 1886 niet kon voorzien en die tot grote capaciteitstekorten leiden en niet enkel met wijzigingen in het strafprocesrecht kunnen worden verholpen.10 Voor zover artikel 140 Sr op gespannen voet staat met het legaliteitsbeginsel, kan dat volgens hem daarom zelfs evenzeer aanleiding zijn om juist het legaliteitsbeginsel opnieuw systematisch door te denken.11
Algemeenheid kent niet alleen praktische voordelen, maar draagt soms zelfs bij aan duidelijkheid. Bij de opsomming ‘voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten of vervoermiddelen’ kan bijvoorbeeld de vraag worden gesteld of deze in zekere zin niet te algemeen is. Is immers een ‘informatiedrager’ denkbaar die niet tegelijkertijd een ‘voorwerp’ is?12 Iets vergelijkbaars geldt voor de opsomming van voorbereidingshandelingen: het ‘voorhanden hebben’ van een middel overlapt met vrijwel alle andere voorbereidingshandelingen, die daardoor in zekere zin overbodig zijn. Door ‘informatiedragers’ specifiek te noemen naast ‘voorwerpen’ is echter voor zowel normadressaten als wetshandhavers duidelijk dat ook ‘informatiedragers’ voorbereidingsmiddelen kunnen zijn. Hoewel taalkundig gezien strikt genomen overbodig, draagt het expliciet noemen van ‘informatiedragers’ dus – in lijn met de prototypentheorie – bij aan het beeld dat met de delictsomschrijving wordt opgeroepen. Tegelijkertijd moet ook de leesbaarheid van de bepaling als geheel in het oog worden gehouden. Een overmaat aan details en voorbeelden is voor zowel de wetgever als voor de normadressaat ook niet handig: de categorieën moeten wel voldoende algemeen blijven.13