Einde inhoudsopgave
De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting (IVOR nr. 112) 2018/3.3.5
3.3.5 Democratisering van door de overheid gesubsidieerde instellingen (semipublieke instellingen) in de jaren ’70, ’80 en ’90
mr. M.J. van Uchelen-Schipper, datum 04-02-2018
- Datum
04-02-2018
- Auteur
mr. M.J. van Uchelen-Schipper
- JCDI
JCDI:ADS384885:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Economische ordening
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Onder democratisering van instellingen werd verstaan het treffen van maatregelen, waardoor betrokkenen in staat worden gesteld invloed uit te oefenen op het besturen van de instelling. Tot deze betrokkenen rekende de Regering cliënten, personeel, vrijwilligers en anderen betrokkenen. Kamerstukken II 1980-1981. 15 360, nr. 18, p. 7.
Dijk/Van der Ploeg 2013, p. 3.
Kamerstukken II 1980-1981, 15 360, nr. 18. Zie ook Van Wersch 1979.
Van Wersch (Van Wersch 1979, p. 270 e.v.) meende dat democratisering van het bestuur van belang is omdat maatschappelijke instellingen (tegenwoordig semipublieke instellingen genoemd) een belangrijke maatschappelijke functie hebben en omdat, indien democratisering van de bestuurssamenstelling niet geregeld is, bepaalde groepen belanghebbenden (“gebruikers”) onvoldoende aan bod komen; zij hebben een nog zwakkere positie dan werknemers. Van Wersch merkte daarbij op dat de situatie verschilt per instelling en dat een afzonderlijke wettelijke regeling voor de verschillende soorten instellingen de voorkeur verdient waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke kenmerken van de betreffende instelling. Van Wersch formuleerde richtlijnen die gebruikt konden worden bij het ontwerpen van departementale regelingen. Daarmee wilde hij voorkomen dat verschillende ministeries verschillend of zelfs tegenstrijdig beleid gaan voeren en de diverse wettelijke regelingen ongemotiveerde verschillen gingen vertonen.
Kamerstukken II 1980-1981, 15 360, nr. 18, p. 11. Zie ook Wersch 1979, p. 276 e.v..
Lubbers 1986, p. 29-31.
Commissie Van der Burg
In de jaren ’70 ontstond een discussie over inspraak en democratisering van grote door de overheid gesubsidieerde stichtingen met een maatschappelijk doel, zoals ziekenhuizen en scholen.1 Onder invloed van de democratiseringsgedachte werd het normaaltype stichting dat slechts een bestuur heeft waarvan de leden middels coöptatie worden benoemd, minder normaal geacht indien sprake was van een gesubsidieerde instelling.2 In 1974 werd door de toenmalige Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk een commissie ingesteld, de Commissie Van der Burg, die opdracht kreeg een advies op te stellen inzake het democratisch en doelmatig functioneren van gesubsidieerde instellingen.
Standpunt van de Regering
De Regering formuleerde in 1980 naar aanleiding van aanbevelingen van de Commissie Van der Burg een standpunt over dit onderwerp.3 Daarin is te lezen dat de regering, in lijn met het advies van de Commissie Van der Burg, vond dat er maatregelen getroffen dienden te worden teneinde cliënten, personeel, vrijwilligers en andere betrokkenen in staat te stellen invloed uit te oefenen op het besturen van deze instellingen. Deze maatregelen en de uitwerking daarvan moesten met name in afzonderlijke (sector)wetten geregeld worden, aangezien de situatie per type instelling verschillend is.4
In haar standpunt pleitte de Regering onder meer voor een evenwichtige samenstelling van het bestuur, bestaande uit (vertegenwoordigers van) direct belanghebbenden (cliënten, personeel, vrijwilligers) maar ook uit onafhankelijke buitenstaanders met relevante ervaring en deskundigheid op verschillende terreinen.5 De Regering meende dat cliënten invloed binnen het bestuur dienen te hebben door ofwel zelf in het bestuur benoemd te kunnen worden ofwel via benoemingsrechten of voordrachtrechten vertegenwoordigers in het bestuur aan te (kunnen) wijzen. Zonder invloed van genoemde betrokkenen op (de samenstelling van) het bestuur is de democratiseringsgedachte niet voldoende verwezenlijkt, aldus de Regering.
Voorts wees de Regering in haar standpunt op het belang van aanspreekbaarheid van de organisatie, openheid en informatieverschaffing. De Regering meende dat de wettelijke regeling van de stichting (en de vereniging) in het Burgerlijk Wetboek voldoende ruimte bood om de verschillende democratiseringsvoorstellen in sectorregels en in aansluiting daarop in statuten van individuele stichtingen te realiseren. Een wijziging in Boek 2 BW werd niet noodzakelijk geacht.
Democratiseringsvormen en ledenverbod
Over de vraag of vanuit het oogpunt van een democratisch functionerende interne organisatie de rechtsvorm van een stichting of een vereniging de voorkeur heeft, zegt de Regering:
“Mede ten gevolge van het systeem (zoals dit met name in de artikelen 19 en 20 Boek 2 BW is neergelegd), waarin mengvormen tussen verenigingen en stichtingen niet met onmiddellijke nietigheid worden bedreigd, zijn duidelijk dergelijke mengvormen ontstaan. Wij denken bijvoorbeeld aan verenigingen welke naast de bestuursleden geen andere leden kennen en aan stichtingen welke aan “aangeslotenen” voor een belangrijk deel dezelfde bevoegdheden geven welke leden van een vereniging hebben.”6
Hiermee werd ook het in het verleden genoemde argument dat de stichting “ondemocratisch” is omdat het geen orgaan mag hebben dat op een algemene vergadering lijkt, ontkracht.
De regering waarschuwde wel dat stichtingen bij het opnemen en uitwerken van “democratiseringsvormen” in hun statuten en reglementen rekening dienen te houden met regels van dwingend recht, zoals het ledenverbod. Democratische inspraak op zich was niet verboden, deze mocht alleen niet verlopen via een algemene ledenvergadering.7