Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/8.4.3
8.4.3 Hoedanigheid van getuige versus slachtoffer
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2001/02, 27 632, nr. 8, p. 5 en nr. 12, p. 2.
Het is echter wel mogelijk om een benadeelde partij die ter terechtzitting aanwezig is als getuige te horen, zo heeft de Hoge Raad recent bevestigd (HR 21 mei 2013, LJN CA0398).
De Wet van 17 december 2009 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering, het Wetboek van Strafrecht en de Wet schadefonds geweldsmisdrijven ter versterking van de positie van het slachtoffer in het strafproces, Stb. 2010, 1 (i.w.tr. op 1 januari 2011).
Indien het slachtoffer zich tevens heeft gevoegd als benadeelde partij ligt ‘belangenverstrengeling’ op de loer.
Het materieel samenvallen van rollen valt ook te constateren bij de hoedanigheid van slachtoffer en getuige. Het slachtoffer zal – als rechtstreeks betrokkene bij het strafbare feit – veelal uit eigen waarneming informatie kunnen verschaffen over wat er is gebeurd en is daarmee een belangrijke potentiële bron van informatie. Processueel kan het slachtoffer zowel in het vooronderzoek als in het hoofdonderzoek optreden als getuige en in dat kader een verklaring afleggen. Het samenvallen van rollen op het onderzoek ter terechtzitting is problematischer. Op het onderzoek ter terechtzitting kan een slachtoffer in meerdere hoedanigheden een verklaring afleggen. Hij kan daar worden gehoord als getuige, als spreekgerechtigde, als benadeelde partij of in alle drie deze hoedanigheden. Als getuige verklaart het slachtoffer over hetgeen hij heeft waargenomen of ondervonden (zie ook art. 290 Sv) en als spreekgerechtigde over ‘de gevolgen die het tenlastegelegde feit bij hem teweeg heeft gebracht’ (art. 51e lid 1 Sv). In het eerste geval mogen de verklaringen als bewijs worden gebruikt, in het tweede geval niet. Indien het slachtoffer tijdens het uitoefenen van zijn spreekrecht zaken te melden heeft die voor het bewijs relevant kunnen zijn, dan dient tot beëdiging als getuige te worden overgegaan.1 Het slachtoffer in de rol van de benadeelde partij mag eveneens ter terechtzitting het woord voeren, maar uitsluitend om zijn vordering toe te lichten (art. 334 lid 2 Sv). In dit verband wordt echter niet gesproken van een ‘verklaring’ en moet worden aangenomen dat hetgeen ter toelichting op de vordering naar voren wordt gebracht evenmin tot bewijs kan dienen.2
Op 1 januari 2011 is een nieuwe regeling voor het slachtoffer in werking getreden.3 Er is een nieuwe titel in het eerste boek gecreëerd voor het slachtoffer (titel IIIa) waarin zijn rechten zijn gecodificeerd, zoals het recht op een correcte bejegening, het recht op informatie en het recht op kennisneming en aanvulling van de processtukken. Wezenlijke verschuivingen in de rolverdeling tussen getuige en slachtoffer als spreekgerechtigde lijkt de nieuwe wet niet te brengen. Wel kunnen de nieuw verkregen rechten conflicteren met het optreden als getuige, waarmee in het bijzonder wordt gedoeld op het in artikel 51b lid 1 Sv neergelegde recht om de dossierstukken te kunnen inzien. Als een slachtoffer nog als getuige moet worden gehoord, is het niet verstandig als deze al kennis heeft genomen van de inhoud van (een deel van) het dossier. Kennisname van informatie na afloop van het feit waarover wordt verklaard, kan immers het geheugen beïnvloeden en ertoe leiden dat de getuige zijn verklaring bewust of onbewust bijstelt.4 In het belang van het onderzoek kan de officier van justitie echter kennisneming van bepaalde processtukken weigeren (art. 51b lid 3 Sv). Vanuit een perspectief van waarheidsvinding dient bij de afweging om al dan niet inzage te geven in het dossier met een eventueel toekomstig optreden als getuige rekening te worden gehouden.