Biases in de boardroom en de raadkamer
Einde inhoudsopgave
Biases in de boardroom en de raadkamer (VDHI nr. 160) 2020/1.3:1.3 Onderzoeksopzet
Biases in de boardroom en de raadkamer (VDHI nr. 160) 2020/1.3
1.3 Onderzoeksopzet
Documentgegevens:
mr. drs. C.F. Perquin-Deelen, datum 20-11-2019
- Datum
20-11-2019
- Auteur
mr. drs. C.F. Perquin-Deelen
- JCDI
JCDI:ADS111480:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Dit is in beginsel geen bias zoals ik een bias gedefinieerd heb: het gaat bij confabulatie om bewuste zelf-interpretatie. Het wordt echter wel een bias omdat we niet door hebben dat wij onszelf misleiden. Dit deel is onbewust.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De opbouw van deze dissertatie is als volgt. Mentale misleiding is het begrip dat ik introduceer als rode draad van deze dissertatie. Mentale misleiding is de misleiding van onze besluit- en oordeelsvorming als gevolg van onbewuste mentale processen. We worden daarbij ‘door onszelf’ misleid en niet door iets of iemand anders. Mentale misleiding keert in elk hoofdstuk terug, waarbij ik de koppeling maak met een specifiek deelonderwerp (de taakuitoefening van de rvb en de rvc; genderdiversiteit in de top; het rechterlijk oordeel en de business judgment rule). Deze deelonderwerpen hebben allemaal een connectie met de boardroom en/of de raadkamer. Onderzoek naar de invloed van biases (vormen van mentale misleiding) in de context van bestuurders, commissarissen en rechters brengt deze invloed in kaart. Met behulp van die kennis ontwerp ik vervolgens ‘beperkingstechnieken’ die in elk hoofdstuk aan bod komen en die de bestuurders, de commissarissen en de rechters in staat stellen de invloed van biases op hun besluit- en oordeelsvorming te verminderen. Belangrijk is hierbij op te merken dat volledige controle van biases niet mogelijk is. Biases komen in ieder geval grotendeels voort uit het onbewuste. Met behulp van de beperkingstechnieken is het mogelijk om biases gedeeltelijk bewust te maken, maar met de huidige stand van de wetenschap blijft een deel van biases altijd onbewust en ongrijpbaar.
De beïnvloeding van onze besluit- en oordeelsvorming benader ik in hoofdstuk 2 en 3 vanuit het perspectief van de boardroom, in hoofdstuk 4 en 5 vanuit het perspectief van de raadkamer en in hoofdstuk 6 vanuit het perspectief van zowel de boardroom als de raadkamer. De hoofdstukken zijn gebaseerd op een vijftal verschenen of ter publicatie geaccepteerde bijdragen. Dit is in de eerste voetnoot van ieder hoofdstuk aangegeven.
Na dit eerste inleidende hoofdstuk, komt in hoofdstuk 2 de taak van de bestuurder en de commissaris aan bod. Het wordt wenselijk geacht dat het resultaat van een meerhoofdige raad van bestuur (rvb) en raad van commissarissen (rvc) meer is dan de optelsom van de waarde die elke individuele bestuurder of commissaris kan leveren. Deze gedachte noem ik de optimaliteitsgedachte. Biases staan in de weg aan het bereiken van deze optimaliteitsgedachte. Dit is de reden dat ik deze biases in kaart breng. Ik besteed daarbij aandacht aan de bias group polarization en de bias groupthink. Deze biases spelen zich af op het individuele cognitieve niveau van de bestuurder en de commissaris. Deze biases hebben echter gevolgen op het supra-individuele niveau van de meerhoofdige rvb en rvc. Het supra-individuele niveau is het systeemniveau, oftewel het niveau van de collectiviteit, van de meerhoofdige rvb en rvc. Om het functioneren van de meerhoofdige rvb en rvc te begrijpen en de supra-individuele cognitieve bedreigingen in kaart te brengen, is een analyse van het supra-individuele niveau van de rvb en de rvc noodzakelijk. Hun functioneren en de invloed van groupthink en group polarization kan namelijk niet worden begrepen als slechts gekeken wordt naar het individuele niveau. Ik onderzoek het supra-individuele niveau met behulp van vier begrippen die ik ontleen aan de Dynamische Systeemtheorie en die ik op metaforische wijze toepas.
In hoofdstuk 3 onderzoek ik allereerst wat de invloed is van genderdiversiteit in de top (rvb en rvc) op de prestaties van de vennootschap. Ik onderzoek deze invloed vanuit het economische, het functionele en het sociale rechtvaardigheidsperspectief. Vervolgens analyseer ik de invloed van implicit gender bias en poneer ik implicit gender bias als een van de oorzaken van de huidige genderongelijkheid in de top van Nederlandse vennootschappen. Implicit gender bias is de bias die – kortweg – ervoor zorgt dat vrouwen op andere wijze dan mannen worden beoordeeld. Deze bias zorgt ervoor dat minder vrouwen in de boardroom terechtkomen. Dit leidt ertoe dat de voordelen van diversiteit in de boardroom en bij de besluit- en oordeelsvorming door de rvb en de rvc gemist worden.
Daarna ga ik in hoofdstuk 4 en 5 in op de invloed van het onbewuste van de rechter op het rechterlijk oordeel. Biases kunnen in de weg staan aan een transparant en rechtszeker oordeel. In hoofdstuk 4 breng ik allereerst de taak van de rechter in kaart. Vervolgens onderzoek ik wat de invloed is van drie soorten biases op het rechterlijk oordeel: (1) confabulatie;1 (2) de indruk van een rechter; en (3) de emotie van een rechter. Ik doe enkele aanbevelingen die als doel hebben de invloed van deze biases te beperken. In hoofdstuk 5 vervolg ik met de invloed van twee andere biases op het rechterlijk oordeel: hindsight bias en het Knobe-effect, mede aan de hand van de Meavita-casus. Dit hoofdstuk sluit ik eveneens af met enkele aanbevelingen om de invloed van deze biases te beperken.
Vervolgens onderzoek ik in hoofdstuk 6 de wenselijkheid van invoering van de Business Judgment Rule (BJR) in Nederland, omdat deze regel mogelijk hindsight bias bij de rechter voorkomt. Ik onderzoek deze stelling nader en toets bovendien de andere argumenten voor invoering van de BJR. Ik breng daarbij zowel de Delaware- BJR als de Duitse BJR in kaart.
Hoofdstuk 7 vormt het slothoofdstuk waarin ik een samenvatting geef van mijn onderzoek en de conclusies uit de voorgaande hoofdstukken samenbreng. Het hoofdstuk bevat voorts een (methodologische) reflectie. Tot slot doe ik in hoofdstuk 7 aanbevelingen en roep ik op tot nader onderzoek.
Hoofdstuk 8 omvat een Engelstalige samenvatting van mijn onderzoek.