Einde inhoudsopgave
Generale zekerheidsrechten in rechtshistorisch perspectief (O&R nr. 86) 2015/6.5.1
6.5.1 Het pandrecht op onroerende zaken en de beginselen van publiciteit en specialiteit
mr. V.J.M. van Hoof, datum 01-06-2015
- Datum
01-06-2015
- Auteur
mr. V.J.M. van Hoof
- JCDI
JCDI:ADS417134:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Rechtsgeschiedenis
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Art. 2127 Cc. Art. 55, in: Fenet 1836, XV, p. 338 (eerdere versie) en 433. De conservateur moest de gehele inhoud van het borderel overschrijven in het register. Merlin XV (1826), p. 98.
Art. 2134 Cc. Art. 56, in: Fenet 1836, XV, p. 338. Art. 43, in: Fenet 1836, XV, p. 430.
Art. 2166 Cc. Art. 75, in: Fenet 1836, XV, p. 343 (eerdere versie) en 438. In beginsel had elke speciale pandrecht op een onroerende zaak zaaksgevolg. Een derde-verkrijger kon de onroerende zaak laten zuiveren van alle daarop rustende ingeschreven en niet-ingeschreven pandrechten. Art. 2181 e.v. Cc. Art. 96 resp. 105 in: Fenet 1836, XV, p. 347, resp. p. 350.
Art. 1138 jo. 711 Cc.
Fenet 1836, XV, p. 389.
Art. 2129 Cc. Artt. 33 jo. 38 in: Fenet 1836, XV, p. 334 (eerdere versie) en 429.
Fenet 1836, XV, p. 430.
Art. 2130 Cc. Fenet 1836, XV, p. 430.
Art. 2132 Cc. Art. 41, in: Fenet 1836, XV, p. 430.
Art. 2122 Cc. Art. 31, in: Fenet 1836, XV, p. 333 (eerdere versie) en 428.
Art. 2135 Cc. Art. 44, in: Fenet 1836, XV, p. 335 (eerdere versie) en 431.
Art. 2136 Cc. Art. 45, in: Fenet 1836, XV, p. 336 (eerdere versie) en 431.
Art. 2146 Cc. Art. 58, in: Fenet 1836, XV, p. 434.
Zie: Koops 2010, p. 192 e.v.
Art. 2123 Cc. Fenet 1836, XV, p. 498.
Het beginsel van publiciteit bracht mee dat een schuldenaar het pandrecht op onroerende zaken (hypothèque) vestigde door het laten opmaken van een daartoe bestemde authentieke akte en het (laten) inschrijven daarvan in het register van de plaats waar de onroerende zaak was gelegen.1 Pas vanaf het moment van inschrijving kreeg het pandrecht voorrang2 en zaaksgevolg.3 Publiciteit was niet vereist voor de overdracht van onroerende zaken. De eigendom van onroerende zaken ging over op het moment dat partijen een geldige overeenkomst tot eigendomsoverdracht sloten.4 Een schuldenaar die zijn onroerende zaak reeds had overgedragen, maar de koopovereenkomst niet had ingeschreven, maakte zich schuldig aan het strafbare feit van stellionaat.5
De Code civil kende slechts conventionele speciale pandrechten op onroerende zaken.6 De pandakte moest van de verpande zaken ‘specialement la nature et la situation de chacun des immeubles’ aanduiden. Artikel 2129 Cc bepaalde expliciet: ‘Les biens à venir ne peuvent pas être hypothéqués.’7 Slechts als er onvoldoende onderpand was op het moment van vestiging, konden partijen overeenkomen dat de schuldenaar zijn na de vestiging te verwerven zaken zou bezwaren.8 Partijen moesten de vordering waarvoor het speciale pandrecht tot zekerheid strekte, speciaal aanduiden.9
De wettelijke pandrechten van de echtgenote en minderjarige waren generaal10 en voor hun geldigheid was inschrijving niet vereist.11 Echtgenoten en voogden waren wel verplicht om de wettelijke pandrechten in te schrijven.12 Als zij dat niet deden, maakten zij zich schuldig aan het strafbare feit stellionaat. Wettelijke pandrechten moesten worden ingeschreven in de registers van de steden waar de onroerende zaken van de schuldenaar gelegen waren.13 Bovendien heeft de wetgever derde-verkrijgers van wettelijk verpande zaken beschermd door de toekenning van het voorrecht van uitwinning.14
Daarnaast kende de Code civil bij invoering in 1804 ook rechterlijke pandrechten. Het rechterlijke pandrecht – vergelijkbaar met beslag – kwam ook op na de beslaglegging verkregen onroerende zaken te rusten.15 Dit is slechts voor zover de ten tijde van de beslaglegging voor handen goederen onvoldoende verhaal boden voor de vordering.