Aftrek van BTW als (belaste) omzet ontbreekt
Einde inhoudsopgave
Aftrek van BTW als (belaste) omzet ontbreekt (FM nr. 134) 2010/6.2.3.5b:6.2.3.5b Aftrekrecht van de ondernemer die in het kader van zijn onderneming, naast prestaties tegen vergoeding, activiteiten verricht waarvoor hij geen vergoeding ontvangt
Aftrek van BTW als (belaste) omzet ontbreekt (FM nr. 134) 2010/6.2.3.5b
6.2.3.5b Aftrekrecht van de ondernemer die in het kader van zijn onderneming, naast prestaties tegen vergoeding, activiteiten verricht waarvoor hij geen vergoeding ontvangt
Documentgegevens:
dr. S.T.M. Beelen, datum 01-03-2010
- Datum
01-03-2010
- Auteur
dr. S.T.M. Beelen
- JCDI
JCDI:ADS298343:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Europees belastingrecht / Richtlijnen EU
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Op de eerste plaats zal vastgesteld moeten worden of de handelingen die de ondernemer niet tegen vergoeding verricht nog kwalificeren als ondernemersactiviteiten. Om hierover een oordeel te vellen zullen de volgende vragen beantwoord moeten worden:
Worden de activiteiten zonder vergoeding verricht in kader van de organisatie door middel waarvan haar onderneming wordt uitgeoefend (cf. IJ-veren II en Brits Toeristenbureau)? Wordt bijvoorbeeld gebruik gemaakt van hetzelfde personeel en dezelfde bedrijfsmiddelen?
Wat is van de ondernemersactiviteiten enerzijds en de activiteiten zonder vergoeding anderzijds de hoofdactiviteit en wat is de nevenactiviteit (cf. Zeehondencrèche)?
In welke mate zijn de ondernemersactiviteiten en de activiteiten zonder vergoeding van elkaar afhankelijk (cf. Zeehondencrèche, Radio-omroep II, KNWV en VNLTO)?
Op welke wijze worden de activiteiten zonder vergoeding bekostigd (cf. Radio-omroep I en VNLTO)?
Zijn de ondernemersactiviteiten en de activiteiten zonder vergoeding naar maatschappelijke opvattingen één geheel, of juist niet (cf. Landgoed-arrest)?
Als eenmaal is vastgesteld dat bepaalde activiteiten die niet tegen vergoeding worden verricht wél in het kader van de onderneming worden verricht staat daarmee vanaf 1 januari 2007 nog niet vast dat de aan deze activiteiten toerekenbare voorbelasting aftrekbaar is. Gesteld zou immers kunnen worden dat de goederen en diensten waarop deze voorbelasting drukt niet gebruikt worden voor belaste prestaties. Het Hof van Justitie EU heeft echter met de Midland-doctrine een opening geboden voor het verlenen van een geheel of gedeeltelijk aftrekrecht in gevallen waarin strikte toepassing van het begrip ‘gebruik voor belaste prestaties’ leidt tot een beperking van het aftrekrecht dat inbreuk dreigt te maken op het neutraliteitsbeginsel. De tijd zal moeten leren welke reikwijdte het Hof van Justitie EU en de Hoge Raad aan de toepassing van de Midland-doctrine willen geven. Met BNB 2003/197 en BNB 2004/363 heeft de Hoge Raad laten zien hier ver in te willen gaan.
Aan de hand van vier casussen heb ik geprobeerd de gevolgen van de wijziging van art. 15, lid 1, per 1 januari 2007 in beeld te brengen. De casussen betreffen een studentenvereniging (de leden betalen contributie en eten en drinken tegen vergoeding), een stichting die een sociaal-wetenschappelijk onderzoeksinstituut exploiteert (de stichting wordt gefinancierd uit subsidies en de opbrengsten van contractresearch), een gemeentelijk vervoerbedrijf (voor gebruik van tram, metro en bus moet de reiziger betalen, het gebruik van veren is gratis) en een stichting die een openbare bibliotheek exploiteert (uitleen is tegen vergoeding of gratis, de stichting ontvangt ook een subsidie). Naar mijn inschatting zullen het vervoerbedrijf (incl. de gratis veren) en de bibliotheek (incl. de gratis uitleen) voor al hun activiteiten als ondernemer (blijven) kwalificeren en zullen zij met toepassing van de Midland-doctrine het aftrekrecht van de aan de gratis activiteiten toerekenbare voorbelasting nog kunnen redden. De studentenvereniging zal wellicht voor een ongedeeld ondernemerschap en een volledig aftrekrecht een prijs moeten betalen (de belastbaarheid van de contributies). Het onderzoeksinstituut zal het moeilijk krijgen. Voor haar valt ook weinig hoop te putten uit de toepassingspraktijk in de andere, door mij onderzochte EU-landen. Evenals in deze landen ligt het voor de hand om bij het onderzoeksinstituut een splitsing te maken in economische en niet-economische activiteiten (ondernemerschap en niet-ondernemerschap, business en non-business).
Mijn observaties op basis van het onderzoek in het Verenigd Koninkrijk, Duitsland en Frankrijk kan ik als volgt samenvatten. De uitkomsten in de vier casussen verschillen erg van land tot land (met uitzondering van het onderzoeksinstituut), mede door het van toepassing zijn van vrijstellingen en bijzondere tarieven. In zijn algemeenheid valt op te merken dat in vergelijking met andere landen in Nederland de reikwijdte van de belastingplicht ruim wordt opgevat.