Einde inhoudsopgave
Onmiddellijke voorzieningen en hun externe werking (IVOR nr. 118) 2020/1.7.4
1.7.4 Derde in het enquêterecht
mr. A.C. Faber, datum 16-03-2020
- Datum
16-03-2020
- Auteur
mr. A.C. Faber
- JCDI
JCDI:ADS198039:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Een paar voorbeelden in chronologische volgorde:1. De Ondernemingskamer rept van derde partijen (OK 3 mei 2007, ECLI:NL:GHAMS:2007:BA4395, ARO 2007/79;2. M.P. Nieuwe Weme, annotatie bij OK 3 mei 2007, ECLI:NL:GHAMS:2007:BA4395, JOR 2007/143, nr. 8;3. Concl. A-G L. Timmerman, ECLI:NL:PHR:2007:BA7972, bij HR 13 juli 2007, ARO 2007/120, 1e conclusie nr. 4.35: “voorts kan niet als regel worden aanvaard dat een voorziening die de ondernemingskamer treft nimmer ertoe mag leiden dat een vennootschap wanprestatie pleegt onder een overeenkomst met derden. De eis dat een getroffen voorziening proportioneel dient te zijn, omvat mede een beoordeling van de gevolgen die een getroffen voorziening heeft voor derden”; 2e conclusie, nr. 2.11: “dat een voorziening die de ondernemingskamer treft nimmer ertoe mag leiden dat de vennootschap wanprestatie pleegt onder een overeenkomst met derden is geen regel die kan worden aanvaard”;4. Storm 2008, p. 38: “Aan het slot van zijn beschikking (inzake ABN Amro, ACF) betrok de Hoge Raad de belangen van derden bij uitvoering van de rechtsgeldig gesloten overeenkomst tot verkoop van LaSalle. De door de OK getroffen onmiddellijke voorziening (verbod die overeenkomst uit te voeren) gaf in elk geval voor de duur van het geding externe werking aan die voorziening en was daarom jegens de andere partijen bij die overeenkomst niet gerechtvaardigd.”;5. Van Schilfgaarde/Winter, Wezeman & Schoonbrood 2017/118 (i.v.m. het ontbreken van externe werking van een gebrek in de besluitvorming (art. 2: 107a lid 2 BW)): “ … dat in de visie van de Hoge Raad onmiddellijke voorzieningen de rechten van derden niet kunnen aantasten wanneer deze uitdrukkelijk door een bepaling als art. 2:107a lid 2 worden beschermd”.
[47] Het enquêterecht maakt deel uit van het ondernemingsrecht. In literatuur en rechtspraak over het enquêterecht worden partijen die niet behoren tot de interne organisatie van de rechtspersoon veelvuldig met derden aangeduid, daarmee aansluitend bij de zojuist vermelde omschrijving van Leijten. Zelf definieert hij, onder verwijzing naar artikel 2:8 lid 1 BW, derden in het enquêterecht als “anderen dan degenen die krachtens de wet en de statuten bij de organisatie van de rechtspersoon zijn betrokken”.1 Op het definiëren van de derde in het enquêterecht met behulp van artikel 2:8 lid 1 BW wordt zo meteen terug gekomen. Het woord derde wordt in het enquêterecht ook gebruikt voor andere figuren. De jurisprudentie en de commentaren die de zaak ABN Amro heeft opgeleverd illustreren dat. Daarin is de derde meestal een (potentiele) contractpartner die geen deel uitmaakt van de organisatie van de rechtspersoon en zijn onderneming.2