Morganatisch burgerschap
Einde inhoudsopgave
Morganatisch burgerschap 2019/3.4:3.4 Besluit
Morganatisch burgerschap 2019/3.4
3.4 Besluit
Documentgegevens:
mr. G. Karapetian, datum 16-12-2019
- Datum
16-12-2019
- Auteur
mr. G. Karapetian
- JCDI
JCDI:ADS181142:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hoofdstuk III
In dit hoofdstuk draait het in beginsel om twee zaken: ten eerste het schetsen van een beeld over de ontstaansgeschiedenis van het overzees Gemeenschapsrecht respectievelijk Unierecht en ten tweede het onderzoeken van de strekking van de UPG- en de LGO-status. De bestudering van het ontstaan van het overzees Gemeenschapsrecht is onontbeerlijk om de huidige ontwikkeling van de LGO, en de werking van het Unieburgerschap aldaar, te doorgronden. Een analyse van de ontwikkeling van de LGO op haar plaats is noodzakelijk om vanuit de huidige dynamiek van de LGO het Nederlanderschap te duiden.
Ontstaan overzees Gemeenschaps- respectievelijk Unierecht
De hoofdregel met betrekking tot de toepasbaarheid van het EEG- Verdrag was verankerd in art. 227 lid 1 EEG-Verdrag. Op grond van dit artikel was dit Verdrag van toepassing op het Koninkrijk België, de Bondsrepubliek Duitsland, de Franse Republiek, de Italiaanse Republiek, het Groothertogendom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden. Ten opzichte van de voorganger van het EEG-Verdrag, het EGKS-Verdrag, is een bijzonder aspect van het EEG- Verdrag dat dit Verdrag een speciale regeling bevat voor de overzeese gebieden van vier lidstaten, zijnde het Koninkrijk België, de Franse Republiek, de Italiaanse Republiek en tot slot het Koninkrijk der Nederlanden. Deze betrokkenheid van overzee met de EEG is op aandrang van de Franse Republiek opgenomen in het EEG-Verdrag. De twee koloniale golven die Frankrijk heeft gekend in de zeventiende onderscheidenlijk negentiende eeuw, heeft formeel in 1946 gezorgd voor een definitief onderscheid tussen enerzijds les vieilles colonies, veroverd gedurende het ancien régime, en anderzijds de nieuwe koloniën, die waren veroverd in de negentiende eeuw. De oude koloniën van Frankrijk waren materieel sinds de sénatus-consulte uit 1854 in beginsel integraal opgenomen in het Franse metropolitaanse recht. De Franse regering achtte het uiterst bezwaarlijk dat het Gemeenschapsrecht verschillend zou worden toegepast op de Franse metropool enerzijds en de Franse overzeese departementen en Algerije anderzijds. Om deze reden stelde de Franse regering een ultimatum aan de andere vijf deelnemende lidstaten van de EEG: overzee op enigerlei wijze betrekken bij het EEG-raamwerk óf een Frankrijk dat geconditioneerd meedoet aan het EEG-project. Nadat de overige vijf lidstaten hadden ingestemd met de eerste optie is gekozen om het indertijd vigerende onderscheid tussen de DOM en de TOM te transponeren naar het Gemeenschapsniveau: de UPG en de LGO. Het DOM-TOM-onderscheid in het Franse overzeese recht is derhalve peremptoir geweest voor deze twee belangrijke smaken overzee in het huidige Unierecht.
Passieve Raad ten aanzien van de UPG en LGO
Uit het EEG-Verdrag blijkt dat zowel de UPG-status als de LGO-status een bijzonder karakter in zich bergt. Met betrekking tot beide regelingen wordt immers de Raad de plicht gegeven om binnen twee jaar (voor de UPG) en binnen vijf jaar (voor de LGO) de bepalingen vast te stellen die na die periode van toepassing zouden zijn op deze gebieden. In beide gevallen is het de Raad niet gelukt om binnen deze termijn te bepalen welk deel of welke delen van het Gemeenschapsrecht werking zouden hebben op overzee. Voor de UPG wordt gesuggereerd dat de tekortkoming van de Raad te maken heeft met de Algerijnse onafhankelijkheidsoorlog. Voor de LGO is aannemelijk dat deze deadline van art. 136, tweede alinea, EEG-Verdrag niet is gehaald door de Raad, omdat een aanzienlijk deel van de LGO uit 1957 enkele jaren later onafhankelijk werd van het moederland.
Strekking UPG en LGO
Bij het Verdrag van Amsterdam is voor het eerst uitdrukkelijk in het Verdrag opgenomen om het gehele Gemeenschapsrecht in beginsel van toepassing te verklaren op de UPG. Daarnaast blijkt uit de rechtspraak van het Hof van Justitie dat de Raad de bevoegdheid heeft om uitzonderingen te maken met betrekking tot de toepasbaarheid van het Unierecht op de UPG. De beoogde betekenis van de UPG-regeling is derhalve evident: het Unierecht is in principe van toepassing met als gevolg dat de UPG binnen de territoriale werkingssfeer van het Unierecht vallen. Voor de LGO-regeling geldt dat de Raad binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van het EEG-Verdrag op basis van de bereikte resultaten en in overeenstemming met de Gemeenschapsrechtelijke beginselen de bepalingen diende vast te stellen over de verhouding tussen de LGO en de Gemeenschap. In die vijf jaar werd de rechtsverhouding tussen de LGO en de Gemeenschap bepaald door de zogenoemde Toepassingsovereenkomst. Aangezien vanaf de jaren zestig van de vorige eeuw de meeste LGO onafhankelijk werden van het moederland, werden de resterende LGO beschouwd als gebieden van relatief kleine omvang met een lage populatiegraad, die strategisch niet van uitzonderlijk groot belang waren. Door de dekolonisatie van de oorspronkelijk omvangrijke LGO lijkt de LGO-regeling in de Verdragen aan een nuancering onderhevig te zijn geweest. Het LGO-regime uit 1957 is in belangrijke mate ongewijzigd gebleven in de Verdragen. Deze gebieden vallen immers volgens de formulering in het VwEU nog steeds buiten de territoriale werkingssfeer van het overgrote deel van het Unierecht. De strekking van de associatieregeling volgens het VwEU straalt uit dat de rechtsbetrekking tussen de LGO en de Unie een ontwikkelingssamenwerking betreft. Dat deze strekking van het associatieregime door de jaren heen is gewijzigd, blijkt uit de rechtspraak van het Hof van Justitie ten aanzien van de rechtspositie van de LGO en de ingezetenen ervan en de zogenoemde LGO-besluiten van de Raad. In het volgende hoofdstuk wordt dan ook de blik gericht op de wijze waarop de LGO zijn ontwikkeld in de rechtspraak van het Hof van Justitie en de opvolgers van de Toepassingsovereenkomst – de LGO-besluiten. De behandeling van de ontwikkeling van de LGO in de rechtsorde van de EU is noodzakelijk om de werking van het Unieburgerschap in deze gebieden te achterhalen en daarmee het Nederlanderschap te kunnen duiden. In dat kader wordt de werking van het Unieburgerschap in de LGO in Hoofdstuk IV aangestipt, om vervolgens in Hoofdstuk V grondig in te gaan op het burgerschap van de EU en de politieke rechtsbetrekking die dit burgerschap met zich brengt tussen enerzijds de LGO- Unieburger en anderzijds de rechtsorde van de EU.