Einde inhoudsopgave
Morganatisch burgerschap 2019/3.1
3.1 Inleiding
mr. G. Karapetian, datum 16-12-2019
- Datum
16-12-2019
- Auteur
mr. G. Karapetian
- JCDI
JCDI:ADS181154:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
J.Y. Faberon, J. Ziller, Droit des collectivités d’outre-mer, Paris: LGDJ 2007, p. 15.
H.B. van Aller, Van kolonie tot koninkrijksdeel. De staatkundige geschiedenis van de Nederlandse Antillen en Aruba (van 1634 tot 1994), Groningen: Wolters-Noordhoff bv 1994, p. 56.
Zie over de ontwikkeling die de overzeese gebieden van Frankrijk en de Nederlanden hebben gehad in het constitutionele bestel van deze staten respectievelijk de Hoofdstukken VI en VII.
Art. 79 EKGS-Verdrag. Er bestaat onenigheid over de vraag waarom de Franse overzeese departementen, de zogenoemde Départements d’outre-mer (DOM), werden uitgesloten van het EGKS-Verdrag. De DOM, geïnstalleerd in 1946, waren overzeese gebieden waar het commune Franse recht in beginsel integraal van toepassing was. Over deze rechtsfiguur volgt later meer. Volgens Faberon en Ziller dient de reden voor de uitsluiting van het EGKS-Verdrag te worden gezocht in de schaarse aanwezigheid van kolen en staal op deze Franse overzeese departementen. Faberon, Ziller 2007, p. 113. Custos voert echter aan dat de toepassing van het EGKS-Verdrag zich beperkte tot de Franse metropool, omdat de toepassing van dit Verdrag op de Franse DOM volgens de Fransen wellicht zou leiden tot de ondermijning van het Franse gezag in deze departementen ten behoeve van de Hoge Autoriteit van de EGKS. De Hoge Autoriteit, bestaande uit negen leden en benoemd voor een periode van zes jaar, was ingevolge art. 8 EGKS-Verdrag belast met de verwezenlijking van de doelstellingen van de EGKS. Zie: D. Custos, ‘Implications of the European Integration for the Overseas’, in: D. Kochenov (red.), EU Law of the Overseas. Outermost Regions, Associated Overseas Countries and Territories, Territories Sui Generis, Alphen aan den Rijn: Kluwer Law International 2011; ‘Débats, Assemblée Nationale, Communauté européene de défense: Suite de la discussion du projet de loi, Debats du 29 Aug. 1954 (1ère séance), Intervention du député M. Sourou-Migan Apithi, JORF, 30 Jul. 1954, 4416-4429’.
Wel moesten de zes verdragsluitende partijen bij het EGKS-Verdrag uit kracht van art. 79 lid 2 ‘preferenties, die zij voor kolen en staal in de aan haar rechtsmacht onderworpen gebiedsdelen buiten Europa, […], mede [toekennen] aan de andere deelnemende Staten’.
Op grond van art. 198, eerste alinea, Euratom-Verdrag: “Voor zover in het Verdrag niet anders is bepaald, zijn de bepalingen van dit Verdrag van toepassing op de Europese grondgebieden van de lidstaten en op de niet- Europese grondgebieden welke onder hun rechtsmacht vallen.” Het Koninkrijk der Nederlanden heeft in het Protocol betreffende de toepassing van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie op de niet- Europese delen van het Koninkrijk der Nederlanden, vastgesteld: “DE HOGE VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN, VERLANGENDE, op het ogenblik van ondertekening van het Verdrag waarbij zij tezamen de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie oprichten, de draagwijdte der bepalingen van artikel 198 van dat Verdrag ten aanzien van het Koninkrijk der Nederlanden nader te omschrijven, HEBBEN OVEREENSTEMMING BEREIKT omtrent de volgende bepalingen, die aan dat Verdrag zijn gehecht: de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden is, wegens de grondwettelijke structuur van het Koninkrijk zoals deze volgt uit het Statuut van 29 december 1954, gerechtigd, in afwijking van artikel 198, het Verdrag hetzij voor het Koninkrijk der Nederlanden in zijn geheel, hetzij voor het Rijk in Europa en voor Nederlands Nieuw-Guinea te bekrachtigen. Indien de bekrachtiging beperkt zou zijn tot het Rijk in Europa en tot Nederlands Nieuw-Guinea, zal de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden te allen tijde, door kennisgeving aan de Regering van de Italiaanse Republiek, bij wie de akten van bekrachtiging worden nedergelegd, kunnen verklaren dat dat Verdrag eveneens van toepassing is hetzij op Suriname, hetzij op de Nederlandse Antillen, hetzij op Suriname en de Nederlandse Antillen.”
Over het kiesrecht van zogenoemde Qualifying Commonwealth Citizens in Gibraltar voor de leden van het Europees Parlement, zie paragraaf 5.3.2 (‘De tienerjaren van het Unieburgerschap: naar autonomie en zelfstandigheid’) van Hoofdstuk V en verder.
Art. 79, tweede volzin, EGKS-Verdrag luidt: “Het [Dit Verdrag] is eveneens van toepassing op de grondgebieden in Europa waarvoor een ondertekenende Staat de buitenlandse betrekkingen behartigt; met betrekking tot het Saargebied is een briefwisseling tussen de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland en de Regering van de Franse Republiek aan dit Verdrag toegevoegd.”
Gesetz über die Eingliederung des Saarlandes vom 23 Juni 1956/Traité sur la Sarre du 29 octobre 1956. In overweging nemend dat het Verdrag inzake het Saargebied is ondertekend in januari 1957 en dat het EEG-Verdrag is ondertekend in maart 1957, valt op dat art. 227 lid 4 EEG-Verdrag (dat was overgenomen van het EGKS-Verdrag teneinde de positie van het Saargebied in de EEG te verduidelijken) nooit van toepassing is geweest op het Saargebied.
Er wordt in dit hoofdstuk afgezien van het uiteenzetten van de strekking van de sui generis-gebieden die een bijzondere relatie hebben met de Unie, omdat noch het Koninkrijk der Nederlanden, noch de Franse Republiek – de lidstaten die centraal staan in dit proefschrift – gebieden hebben die naar Unierecht onder deze status vallen.
Het Koninkrijk België, de Italiaanse Republiek en het Koninkrijk der Nederlanden waren de andere drie staten die overzeese gebieden hadden bij de totstandkoming en inwerkingtreding van het EEG-Verdrag. Een construct zoals in de Franse Republiek waarbij een onderscheid werd gemaakt tussen overzeese gebieden die wel nauwe banden hadden met het moederland en overzeese gebieden die niet nauw verbonden waren met het moederland, kwam niet voor in deze drie staten.
In het vorige hoofdstuk is het burgerschapsbegrip aan een analyse onderworpen. Daarbij is naar voren gekomen dat burgerschap ertoe strekt de rechtsverhouding te reguleren tussen de burger en de rechtsorde waarvan de burger deel uitmaakt. De kenmerken die het wezen uitmaken van burgerschap zijn in dat hoofdstuk besproken. Deze betreffen onder meer een verhouding van wederkerigheid tussen de burger en zijn rechtsorde, met rechten en plichten over en weer. Sinds de Franse Revolutie ligt in deze rechtsbetrekking besloten dat de burger politiek wordt gerepresenteerd in het vertegenwoordigende wetgevende orgaan van de desbetreffende rechtsorde.
Een antwoord op de centrale vragen in dit onderzoek zoals deze zijn geformuleerd in Hoofdstuk I, vergt een bestudering van het fenomeen ‘Landen en Gebieden Overzee’ (hierna: LGO). De werking van het Unieburgerschap op de LGO wordt immers aangewend teneinde de vormgeving van het Nederlanderschap te duiden. Hoofdstukken III en IV staan in het teken van de LGO. De overzeese gebiedsdelen van de lidstaten die naar Unierecht een LGO-status hebben, hebben een omvangrijke geschiedenis met het moederland. De aanvang daarvan valt grof genomen eind vijftiende eeuw. De staatkundige geschiedenis van Europese staten in de West werd ingeluid met de Portugese en Spaanse ontdekkingsreizen in de vijftiende eeuw naar Azië. Hoewel het motief van beide mogendheden om zich te verplaatsen naar het Oosten gelijk was, namelijk het vinden van goud, edelstenen, specerijen en andere rijkdommen, verschilde de gekozen zeeroute. Waar de Portugezen langs de kust van het Afrikaanse continent toegang hoopten te krijgen tot de lucratieve specerijenhandel in het Oosten, rijpte bij de Italiaanse koopman en handelsreiziger Christoffel Columbus, die handelde onder de Spaanse vlag, het plan om Indië te verkennen via een korte zeeweg in westwaartse richting. Aldus ontdekten en veroverden de Spaanse conquistadores tijdens hun eerste ontdekkingsreis van 1492 tot 1493 enkele eilanden in de West, zoals San Salvador en Cuba. Deze veroveringen brachten andere potentiële koloniale mogendheden, onder andere Frankrijk en de Republiek der Verenigde Nederlanden, op nieuwe ideeën. De overzeese bezittingen in de West zouden een nieuwe bron vormen om de lege schatkist te vullen en daarmee de prijzige oorlogen in Europa te financieren.
Zodoende ontwikkelden de genoemde staten binnen de kaders van de toenmalige internationale politiek strategieën om zoveel mogelijk oorlogsbuit te veroveren op vooral de Spanjaarden teneinde een winstgevende handel tot stand te brengen. Het tot stand brengen van privaatrechtelijke organen met publiekrechtelijke bevoegdheden die zouden zijn belast met het monopolie voor kolonisatie en handel, zoals de Nederlandse West-Indische Compagnie (WIC) en de Franse Compagnie des Isles d’Amérique, was vervolgens een logische stap daartoe. De Fransen installeerden zich in 1604 in Guyana, en later in Guadeloupe en Martinique.1 De Nederlanders zetten voor het eerst in 1613 voet aan wal in Suriname en in 1634 werd het eiland Curaçao op de Spanjaarden veroverd.2 Met het oog op onder andere een economische, religieuze en cultuurpolitieke expansie lukte het deze compagnieën om de veroverde overzeese gebieden te besturen. Enkele van de overzeese gebiedsdelen die gedurende de ontdekkingsreizen van de vijftiende eeuw en verder zijn gekoloniseerd, onderhouden sindsdien op enigerlei wijze een band met het moederland. Zo maken de Franse Antillen (onder andere Martinique en Guadeloupe) thans integraal deel uit van de Franse Republiek en zijn Aruba, Curaçao, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius en Saba onderdeel van het Koninkrijk der Nederlanden, hetzij als afzonderlijk land, hetzij als openbaar lichaam dat deel uitmaakt van het staatsbestel van het land Nederland.3
Toen in de jaren vijftig van de twintigste eeuw een zestal Europese staten naar eenwording bewoog door middel van harmonisatie met betrekking tot de producten kolen en staal, oefenden vier van de zes staten, te weten de Franse Republiek, het Koninkrijk België, de Italiaanse Republiek en het Koninkrijk der Nederlanden, gezag uit over verscheidene territoria in de Cariben, Afrika en/of het Oosten die gedurende de hiervoor beknopt omschreven ontdekkingsreizen waren veroverd. Aanvankelijk werd besloten om de overzeese territoria van deze vier staten niet te betrekken bij het integratieproject voor wat betreft kolen en staal.4 De territoriale werkingssfeer van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS-Verdrag) was uitdrukkelijk beperkt tot de grondgebieden van de Hoge Verdragsluitende Partijen in Europa.5 Deze situatie veranderde vijf jaar later, in 1957, bij de ondertekening van het Verdrag tot de oprichting van de Europese Economische Gemeenschap (EEG-Verdrag). Hierin werd verankerd dat het EEG-Verdrag in beginsel van toepassing was op de verdragsluitende partijen.6 Een bijzonder aspect van dit Verdrag was dat het tevens voorzag in verschillende statussen waar de overzeese gebieden van de vier lidstaten voor konden opteren. Het overzees gemeenschapsrecht was hiermee geboren.7
Aanvankelijk werd in dit overzees Gemeenschapsrecht een onderscheid gemaakt tussen drie verschillende regelingen die de rechtsbetrekkingen tussen de Europese Economische Gemeenschap enerzijds en het overzees gebied anderzijds regelden: Ultraperifere Gebieden (UPG), waar het Gemeenschapsrecht in beginsel grotendeels van toepassing was,8 Landen en Gebieden Overzee (LGO), waar het Gemeenschapsrecht in beginsel grotendeels niet van toepassing was9 en tot slot Europese grondgebieden ‘welker buitenlandse betrekkingen door een Lid-Staat worden behartigd’.10 Deze laatste regeling, waar thans alleen Gibraltar11 onder valt, is in feite overgenomen van het toenmalige art. 79, tweede volzin, EGKS-Verdrag.12 Bij het ondertekenen van het EGKS-Verdrag was namelijk nog niet duidelijk of het de Bondsrepubliek Duitsland of de Franse Republiek was die verantwoordelijk was voor het Saargebied. In de briefwisseling tussen de Duitse en de Franse regering betreffende het Saargebied, die is gehecht aan het EKGS-Verdrag, is te lezen dat beide partijen eenstemmig zijn over de omstandigheid dat het EGKS-Verdrag niet vooruitloopt op de uiteindelijke status van het Saargebied. De bepaling van de uiteindelijke status van het Saargebied komt volgens de briefwisseling toe aan een Vredesverdrag of een ander verdrag dat daarvoor in de plaats zal treden. Dit Verdrag is op 1 januari 1957 ondertekend door Duitsland en Frankrijk, waarbij werd overeengekomen het Saargebied tot Duits grondgebied te maken.13
Het hierna volgende bevat een schets van de ontstaansgeschiedenis van het overzees Gemeenschapsrecht en een analyse van de strekking van zijn belangrijkste smaken: de UPG- en de LGO-status.14 Aangezien dit proefschrift zich onder meer richt op de beantwoording van de vraag wat de betekenis is van de gelding van het Unieburgerschap op de LGO voor de inkleuring van het Nederlanderschap, zal de focus bij de behandeling van de overzeese regelingen in de Europese Unie voornamelijk liggen op de LGO-status. Vanwege de omstandigheid dat – zoals hierna zal blijken – het onderscheid aangaande de intensiteit van de toepassing van het Gemeenschapsrecht op de overzeese gebieden mede op aandringen van Frankrijk is opgenomen in het EEG-Verdrag, zal eerst beknopt worden ingegaan op het ontstaan van de verschillende overzeese statussen in de Franse Republiek. Daarbij zal tevens aandacht worden besteed aan de rol die de Franse Republiek in de jaren vijftig van de twintigste eeuw heeft gehad bij de opname van verschillende regelingen voor de overzeese gebieden in de EEG.15 Waarom was het voor de Franse Republiek namelijk noodzakelijk dat deze overzeese gebieden op enigerlei wijze zouden worden betrokken in de door het EEG-Verdrag geïntroduceerde gemeenschappelijke markt en op welke wijze werd gehoor gegeven aan deze Franse wens? Deze en vergelijkbare vragen zullen aan bod komen in paragraaf 3.2 van dit hoofdstuk. In paragraaf 3.3 zal de strekking van de verschillende typen ‘overzee’ op Gemeenschaps- respectievelijk EU-niveau aan een analyse worden onderworpen, waarbij de beoogde betekenis en de strekking van de LGO-status centraal zullen staan. Paragraaf 3.4 bevat enkele conclusies aangaande deze materie.