Morganatisch burgerschap
Einde inhoudsopgave
Morganatisch burgerschap 2019/3.3:3.3 Het overzees Unierecht en zijn verschillende smaken
Morganatisch burgerschap 2019/3.3
3.3 Het overzees Unierecht en zijn verschillende smaken
Documentgegevens:
mr. G. Karapetian, datum 16-12-2019
- Datum
16-12-2019
- Auteur
mr. G. Karapetian
- JCDI
JCDI:ADS181156:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie daarover de inleiding van dit hoofdstuk. Thans valt alleen Gibraltar onder het huidige artikel van art. 227 lid 4 EEG-Verdrag – nu art. 355 onder 3 VwEU. Zie meer over de toekenning van het kiesrecht voor het Europees Parlement aan de zogenoemde Qualifying Commonwealth Citizens in Gibraltar, paragraaf 5.3.2 (‘De tienerjaren van het Unieburgerschap: naar autonomie en zelfstandigheid’) en verder.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Reeds uit de vorenstaande inventarisatie van het Franse overzeese recht blijkt dat wij te doen hebben met een complex construct dat de positie tracht te concretiseren van overzeese gebieden binnen de Gemeenschap onderscheidenlijk de Europese Unie. De hoofdregel met betrekking tot de toepasbaarheid van het Gemeenschapsrecht, zoals hiervoor uiteengezet, was verankerd in art. 227 lid 1 EEG-Verdrag. Uit kracht hiervan was het EEG-Verdrag van toepassing op het Koninkrijk België, de Bondsrepubliek Duitsland, de Franse Republiek, de Italiaanse Republiek, het Groothertogendom Luxemburg en tot slot het Koninkrijk der Nederlanden. Art. 227 lid 2 tot en met 4 verschafte uitzonderingen voor (overzeese) territoria die deel uitmaken van de lidstaten, maar waarop het toenmalige EEG-recht niet onverkort gold. De twee overzeese statussen – de UPG (lid 2) en de LGO (lid 3) – vormen derhalve uitzonderingen op de hoofdregel van art. 227 lid 1 EEG-Verdrag. Lid 4 van voornoemd artikel heeft betrekking op de hierboven omschreven problematiek inzake het Saargebied.1
Hieronder wordt ingegaan op de redenen die in de jaren vijftig van de twintigste eeuw bestonden om de overzeese gebieden niet integraal deel te laten uitmaken van de EEG, maar juist te onderwerpen aan twee van elkaar verschillende regimes, te weten: de Ultraperifere Gebieden (UPG) en de Landen en Gebieden Overzee (LGO). Eerst zal de strekking van de UPG-status aan de orde worden gesteld, waarbij zal worden ingegaan op relevante verdragswijzigingen en de ontwikkelingen in de rechtspraak met betrekking tot deze status. Vervolgens zal aandacht worden geschonken aan de strekking van de LGO-status. Voor de UPG- regeling zal worden gekeken naar de wijzigingen in de door de jaren heen in werking getreden Europese Verdragen en de rechtspraak van het Hof van Justitie. In de rechtspraak van het Hof van Justitie is namelijk, zoals hierna zal blijken, de strekking van de UPG-status nader ingekaderd en verduidelijkt. Met betrekking tot de LGO-status geldt dat in dit hoofdstuk enkel zal worden gekeken naar de strekking van deze status zoals weergegeven in de Verdragen. Vanwege de omvangrijke ontwikkeling die de LGO hebben meegemaakt in de Unie zal in een afzonderlijk hoofdstuk, namelijk in Hoofdstuk IV, aandacht worden besteed aan de ontwikkelingen van de LGO in de rechtspraak van het Hof van Justitie en de zogenoemde LGO-besluiten die worden genomen door de Raad.
3.3.1 De strekking van de UPG-status: de bevoegdheden van de Raad ten aanzien van derogaties3.3.2 De strekking van de LGO-status: de invloed van de dekolonisatie