De autonomie van de leraar
Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/4.8.6:4.8.6 Conclusie
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/4.8.6
4.8.6 Conclusie
Documentgegevens:
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949329:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het bevoegd gezag is verantwoordelijk voor de kwaliteit van het onderwijs, waaronder ook wordt verstaan de kwaliteit van de examens. Met het stellen van regels kan het bevoegd gezag sturen op de kwaliteit en in bepaalde mate op de inhoud van de examens. Dit doet het door bijvoorbeeld in het schoolplan, het Pta of de Oer regels te stellen over de wijze waarop de examens worden afgenomen. Het bevoegd gezag kan niet geheel zelf bepalen hoe de kwaliteit van de examens wordt geborgd. De wetgever heeft, in het primair, voortgezet en middelbaarberoepsonderwijs, deze bevoegdheid deels rechtstreeks geattribueerd aan een van de organen van het bevoegd gezag, namelijk de examencommissie. Op onafhankelijke en deskundige wijze stelt de examencommissie vast of een leerling aan de voorwaarden voldoet voor het verkrijgen van een diploma. Andere organen van het bevoegd gezag, zoals het schoolbestuur, kunnen zich hier niet in mengen. De examencommissie is immers functioneel onafhankelijk.
Voor de kwaliteit van de examens is tevens van belang wie de examens afneemt en beoordeelt. Dit verschilt evenwel per sector. Voor de vaststelling van de uitslag van het schooladvies en het schoolexamen in het voortgezet onderwijs is het bevoegd gezag zelf verantwoordelijk, het kan zich in beginsel dan ook mengen in de beoordeling hiervan. In het middelbaar beroepsonderwijs en in het hoger onderwijs is de beoordeling van de examens geattribueerd aan een specifiek orgaan, namelijk respectievelijk de examencommissie en de examinator. Nu deze taak is geattribueerd aan een specifiek orgaan kunnen andere organen van het bevoegd gezag zich hier niet in mengen. Bij de doorstroomtoets in het primair onderwijs en de centrale examens in het voortgezet en middelbaar beroepsonderwijs liggen de verhoudingen anders. De doorstroomtoets wordt opgesteld en beoordeeld door de toetsaanbieder, behoudens de keuze voor een bepaalde doorstroomtoets, kan het bevoegd gezag of een van haar organen zich hier niet in mengen. Bij het centraal examen in het voortgezet onderwijs is een belangrijke rol weggelegd voor een gecommitteerde en het bevoegd gezag van een andere school. Terwijl ten aanzien van het centraal examen in het middelbaar beroepsonderwijs de bevoegdheid het examen te beoordelen is geattribueerd aan de examencommissie. Er zijn dan ook grote verschillen in de rol van het bevoegd gezag bij het afnemen en beoordelen van het examen.
De leerling die het examen met goed gevolg heeft afgelegd, ontvangt een diploma. Van die hoofdregel kan het bevoegd gezag niet afwijken. Het verstrekken van een diploma is een gebonden bevoegdheid. Dit betekent dat een diploma uitgereikt moet worden als de leerling de benodigde tentamens of examens met succes heeft afgelegd, er is dan geen grond om het diploma alsnog te weigeren.