De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen
Einde inhoudsopgave
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/4.3.4.7:4.3.4.7 De functie van ‘standaardoverwegingen’
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/4.3.4.7
4.3.4.7 De functie van ‘standaardoverwegingen’
Documentgegevens:
S. Schuite, datum 10-04-2023
- Datum
10-04-2023
- Auteur
S. Schuite
- JCDI
JCDI:ADS702111:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Ter illustratie: Rb. Noord-Holland 17 december 2020, ECLI:NL:RBNHO:2020:10758.
Ter illustratie: Rb. Den Haag 9 september 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:10227.
Zie daaromtrent: ABRvS 3 september 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3294, r.o. 2.2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Tot slot nog een opmerking over de functie van standaardoverwegingen. Hieronder versta ik in dit geval min of meer vaste rechtsoverwegingen over de rol en plaats van het deskundigenadvies in een bepaalde bestuursrechtelijke procedure. Redactioneel staan zij meestal aan het begin van de inhoudelijke beschouwing van het deskundigenadvies. Zij bevatten het uitgangspunt over hoe het bevoegd gezag met dat advies dient om te gaan.
In zowel het planschaderecht als in de andere bestuursrechtelijke deelgebieden bedient de rechter zich van dit soort standaardoverwegingen. De essentie daarvan is steeds dezelfde; in beginsel mag het bevoegd gezag van het ingewonnen advies uitgaan, tenzij het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming tegenstrijdig is of andere gebreken vertoont die ervoor zorgen dat het bevoegd gezag niet (zonder meer) van het advies mag uitgaan. Het bevoegd gezag mag ook niet zomaar van het advies uitgaan indien een belanghebbende erin slaagt concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het advies naar voren te brengen. Vergelijk de standaardoverwegingen in het planschaderecht:
“Indien in een advies van een door een bestuursorgaan benoemde onafhankelijke en onpartijdige deskundige op objectieve wijze verslag is gedaan van het door deze deskundige verrichte onderzoek en daarin op inzichtelijke wijze is aangegeven welke feiten en omstandigheden aan de conclusies ervan ten grondslag zijn gelegd en deze conclusies niet onbegrijpelijk zijn, mag dat bestuursorgaan bij het nemen van een besluit op een verzoek om tegemoetkoming in planschade van dat advies uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan naar voren zijn gebracht.”1
Met de standaardoverweging in het socialezekerheidsrecht:
“De rechtbank stelt voorop dat verweerder zijn besluiten omtrent de mate van arbeidsongeschiktheid van een betrokkene mag baseren op rapporten van verzekeringsartsen, indien deze rapporten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, geen tegenstrijdigheden bevatten en voldoende duidelijk zijn. Dit betekent niet dat deze rapporten en het daarop gebaseerde besluit in beroep niet kunnen worden aangevochten. Het is echter aan de betrokkene om aan te voeren en zo nodig aannemelijk te maken dat de rapporten niet op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, tegenstrijdigheden bevatten, niet voldoende duidelijk zijn, dan wel dat de in de rapporten gegeven beoordeling onjuist is.”2
De functie van dit soort standaardoverwegingen mag mijns inziens niet worden onderschat. De overwegingen benadrukken immers dat het volgen van het deskundigenadvies de hoofdregel is. Reeds daarom komt het deskundigenadvies een zeker gewicht toe. Ook schuilt er een schat aan informatie over de systematiek van het bestuurs(proces)recht in deze overwegingen. In de eerste plaats dient het bevoegd gezag zich er ambtshalve van te vergewissen dat het advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen (vgl. art. 3:2 jo. art. 3:9 Awb). Indien dat het geval is, mag het advies dus in beginsel aan het besluit ten grondslag worden gelegd. Dat behoeft dan ook niet verder te worden gemotiveerd.3 Een deugdelijke motivering is wél vereist wanneer het bevoegd gezag wenst af te wijken van het deskundigenadvies (art. 3:50 Awb). De bewijslast voor het naar voren brengen van concrete aanknopingspunten voor twijfel ligt bij de belanghebbende.