Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/15.5.3
15.5.3 Motiveringsvereisten voor de rechter
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940568:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 13 oktober 2023, V-N 2023/47.17, r.o. 3.3.2, HR 15 oktober 2010, BNB 2011/9, V-N 2010/54.7. Vgl. ook (buiten het kader van de fiscale bestuurlijke boete) HR 29 juni 2018, V-N 2018/38.24, r.o. 2.5-2.6.
HR 20 juni 2014, V-N 2014/34.5, BNB 2014/201. Zie voor de daaropvolgende verwijzingsuitspraak Hof Amsterdam 22 januari 2016, V-N 2016/9.6 (bewijs niet geleverd), m.n. r.o. 5.7 en 5.9.
HR 31 maart 2023, V-N 2023/16.16, BNB 2023/73, r.o. 3.5.4.
In HR 14 oktober 2016, V-N 2016/53.7 ging dit maar net goed: het Hof had weliswaar een reeks redengevende omstandigheden genoemd, maar verzuimd om daar een heldere conclusie aan te verbinden. De Hoge Raad hechtte de losse eindjes aan elkaar en oordeelde dat het Hof ‘in samenhang gelezen (…) tot uitdrukking had gebracht’ dat er sprake was geweest van kwade trouw en daarmee van opzet, r.o. 3.2.2 en 3.3.2.
EHRM 19 februari 1998 (Higgins e.a.), nr. 20124/92, par. 42, EHRM 9 december 1994 (Hiro Balani), nr. 18064/91, par. 91. Vgl. voorts EHRM 2 oktober 2014 (Hansen), nr. 15319/09, waaruit de ABRvS heeft afgeleid dat de rechter op grond van een specifieke wettelijke bepaling kan volstaan met een beknopte motivering (ABRvS 5 maart 2015, FED 2015/51). De zaak Hansen betrof een beslissing van een Noorse feitenrechter, overeenkomend met wat hier te lande als ‘kennelijk ongegrond’ bekend staat.
Zie EHRM 29 mei 1997 (Georgiadis), nr. 21522/93, par. 41-43.
Zie HR 8 april 2022, BNB 2022/68, V-N 2022/17.10, r.o. 3.1-3.2 en daarover nader paragraaf 13.3.
HR 31 maart 2023, V-N 2023/16.16, BNB 2023/73, r.o. 3.5.4 (onder (ii)).
Zie bijvoorbeeld de opmerking van de redactie Vakstudie-Nieuws in de Aantekening bij Hof Arnhem-Leeuwarden 7 juni 2016, V-N 2016/44.4, de Aantekening van de Redactie Vakstudie-Nieuws bij Hof ’s-Hertogenbosch 21 februari 2013, V-N 2013/22.6 en de beslissing van Hof ’s-Hertogenbosch 27 juni 2013, V-N 2013/53.21.3 (de rechter hoeft zijn beslissing omtrent matiging niet te motiveren).
HR 22 april 2005, V-N 2005/22.6, BNB 2005/337. Zie voorts de casus die heeft geleid tot HR 18 december 2015, V-N 2016/2.8. Zie ook paragraaf 14.4.4.3.1.
EHRM 24 april 2018 (Baydar), nr. 55385/14.
HR 12 november 2019 (strafkamer), V-N 2019/58.12. Naar mijn inschatting gelden de uitgangspunten van de strafkamer evenzeer voor de belastingkamer.
VN-Mensenrechtencomité 2 september 2022 (Jaddoe), NJ 2023/103.
HR 24 januari 2023 (strafkamer), V-N 2023/7.22, r.o. 2.5.
Zie daarover nader HR 11 augustus 2017, V-N 2017/39.8, BNB 2017/211.
Aldus ook – althans voor zover het gaat om vergrijpboetes – de Redactie Vakstudie-Nieuws in de Aantekening bij HR 24 januari 2023 (strafkamer), V-N 2023/7.22.
Ten aanzien van het bewijs van de centrale stellingen rust op de (feiten)rechter een tamelijk uitgebreide motiveringsplicht. Als de boeteling bijvoorbeeld betwist dat het element ‘opzet’ aanwezig was, moet de rechter in zijn uitspraak vermelden op grond van welke feiten en omstandigheden hij tot zijn oordeel is gekomen dat zulks wél het geval is.1 De enkele verwijzing naar ‘de vaststaande feiten en omstandigheden’ en ‘de gegevens’ is onvoldoende.2 Ook een onderbouwing als ‘alle feiten en omstandigheden in aanmerking nemend’ schiet tekort.3 Het moet duidelijk zijn op welke concrete feiten en gegevens het oordeel is gebaseerd.4 Deze jurisprudentie van de Hoge Raad is in lijn met de motiveringsplicht zoals die uit art. 6 EVRM voortvloeit. Die motiveringsplicht is niet absoluut: niet elke aangevoerde grond behoeft bespreking en de omvang van de motivering kan van geval tot geval verschillen.5 Zo is bijvoorbeeld een gedetailleerde onderbouwing van het rechterlijk oordeel noodzakelijk, wanneer vage normen zoals ‘grove nalatigheid’ aan de hand van concrete feitelijkheden moeten worden ingevuld, aldus het EHRM.6 Daar komt bij dat het bewijs van de centrale stellingen ‘beyond reasonable doubt’ moet zijn geleverd.7 Naar mijn mening brengt die zware bewijsgradatie met zich dat de rechter ook motiveert op grond waarvan hij ervan overtuigd is geraakt dat de boeteling het beboetbare feit heeft begaan. De Hoge Raad lijkt die eis inderdaad te stellen: in ieder geval moet de rechter duidelijk maken dat de redengevende feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan.8
Gaat het om de strafmaat, dan reikt de motiveringsplicht – naar algemeen wordt aangenomen – veel minder ver.9 Vermoedelijk geldt hetzelfde voor perifere stellingen, althans voor die stellingen die strafverminderend van aard zijn. Wel zal de rechter bij het toepassen van een matiging wegens overschrijding van de redelijke termijn altijd moeten aangeven welke boete hij passend en geboden zou hebben geacht zonder die matiging.10
De Hoge Raad heeft zelf de mogelijkheid om bepaalde cassatieberoepen zonder inhoudelijke motivering af te doen (art. 80a en art. 81 Wet RO). Het EHRM heeft deze wettelijke bevoegdheden in het licht van art. 6 EVRM akkoord bevonden.11 De Hoge Raad heeft voorts geoordeeld dat dit systeem niet in strijd komt met art. 14 lid 5 van het BUPO-verdrag, onder meer omdat de inhoudelijke beoordeling (achter de schermen) niet anders is dan in zaken waarin wel een inhoudelijke motivering wordt gegeven.12 Wel heeft de strafkamer van de Hoge Raad een nuancering aangebracht naar aanleiding van de zienswijze van het VN-Mensenrechtencomité in een Nederlandse zaak.13 Hoewel de Hoge Raad die zienswijze niet (volledig) onderschrijft, heeft de Hoge Raad daarin wel aanleiding gezien om in sommige zaken vaker een inhoudelijk gemotiveerd arrest te wijzen. Het gaat om zaken waarin in hoger beroep een veroordeling is gevolgd voor een feit waarvan de verdachte in eerste aanleg was vrijgesproken.14
Het voorgaande betekent dat ook de belastingkamer van de Hoge Raad arresten over fiscale bestuurlijke boetes als regel verkort kan motiveren onder de enkele verwijzing naar art. 80a of art. 81 Wet RO.15 De uitzondering op de regel wordt gevormd door gevallen waarin het Hof de vernietiging van een fiscale bestuurlijke boete door de rechtbank terugdraait. In zulke gevallen zou de belastingkamer van de Hoge Raad (zoveel mogelijk) een inhoudelijk gemotiveerd arrest moeten wijzen.16