Einde inhoudsopgave
Generale zekerheidsrechten in rechtshistorisch perspectief (O&R nr. 86) 2015/6.4.2.2
6.4.2.2 Een pleidooi voor specialiteit
mr. V.J.M. van Hoof, datum 01-06-2015
- Datum
01-06-2015
- Auteur
mr. V.J.M. van Hoof
- JCDI
JCDI:ADS419564:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Rechtsgeschiedenis
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Fenet 1836, III, p. 284.
Fenet 1836, III, p. 427.
Het Tribunal de Cassation: Art. 48, redaction proposée, in: Fenet 1836, II, p. 660. Parijs. Fenet V, p. 245. Lyon. Fenet 1836, IV, p. 246. Metz. Fenet 1836, IV, p. 398. Rennes. Fenet V, p. 329.
Het Tribunal de Cassation, ad boek III, titels VI, VII en VIII, in: Fenet 1836, II, p. 615. Fenet 1836, III, p. 286-7. Fenet V, p. 245. De afschaffing van het generale pandrecht diende volgens Treilhard ter bescherming van partijen: ‘C’est une assurance de plus donnée aux gens honnêtes, et un moyen de moins pour la mauvaise foi. On ne traite jamais avec sûreté que sous la garantie des biens présens: les biens à venir sont trop incertains.’ Zie: Fenet 1836, XV, p. 273-4.
Fenet 1836, II, p. 620.
Fenet 1836, XV, p. 273 en 462.
Ad boek III, titels VI, VII en VIII, in: Fenet 1836, II, p. 617.
Fenet 1836, II, p. 626.
Fenet 1836, XV, p. 300.
Fenet 1836, XV, p. 462.
Het Tribunal de Cassation, ad boek III, titels VI, VII en VIII, in: Fenet 1836, II, p. 618-9. Toch vond het Tribunal het gerechtvaardigd als de verzekerde vordering opeisbaar werd als de zaak teniet was gegaan en de schuldenaar geen nieuwe zekerheid bood. Zie: Fenet 1836, II, p. 629.l.
Fenet 1836, III, p. 287. Het Tribunal de Cassation, ad boek III, titels VI, VII en VIII, in: Fenet 1836, II, p. 616.
Fenet 1836, V, p. 306.
Fenet 1836, III, p. 333.
Fenet 1836, III, p. 334.
Fenet 1836, III, p. 340.
Fenet 1836, III, p. 334.
Fenet 1836, II, p. 623.
Het voorbestaan van het generale pandrecht oogstte veel kritiek. Het Brusselse gerechtshof schreef dat generale pandrechten tot grote onzekerheid leidden.1 Het gerechtshof van Caen was van mening dat het generale pandrecht nadelig was voor latere schuldeisers die zakelijke zekerheid wilden, omdat zij vooraf niet wisten of er nog iets voor hen overbleef nadat de eerste zekerheidsgerechtigde was voldaan.2 Niet alleen de gerechtshoven van de voormalige pays de nantissement pleitten voor de toepassing van het specialiteitsbeginsel, maar ook het Tribunal de Cassation en de gerechtshoven van steden als Parijs en Lyon.3 Volgens hen was een schuldeiser met een generaal pandrecht oververzekerd en verloor de schuldenaar de mogelijkheid om de overwaarde in te zetten voor de verkrijging van meer (of gunstiger) krediet.4 Het Tribunal de Cassation vond de vestiging bij voorbaat onder omstandigheden immoreel, omdat de schuldenaar over iets kon beschikken wat hij nog niet had en mogelijk nooit zou verkrijgen: ‘Quant à l’hypothèque des biens à venir, outre que rien n’est plus incertain que les biens à venir, outre qu’il est contraire à tout principe qu’un homme puisse disposer d’une propriété qu’il n’a pas et n’aura peutêtre jamais, outre que cela est même immoral s’il s’agit de l’espérance d’une succession à échoir, outre que la facilité de consommer par anticipation jusqu’à ses espérances, souvent vaines et illusoires, est un principe de désordre dans l’âge des passions, de cupidité et d’usure dans les impitoyables capitalistes, de désespoir dans l’âge mûr écrasé par les folies de la jeunesse, toutes raisons qui suffiraient pour proscrire à jamais ce systême.’5
De voorstanders van het specialiteitsbeginsel wezen de stelling van de commissie dat schuldeisers oververzekerd wilden zijn van de hand. Treilhard meende dat schuldeisers slechts voldoende zekerheid wilden hebben. Voor een vordering van 10.000 franc zou een schuldeiser voldoende hebben aan een onderpand van maximaal 15.000 of 20.000 franc.6 Bovendien verhinderde het specialiteitsbeginsel niet dat een schuldenaar al zijn onroerende zaken afzonderlijk verpande, maar hij was daartoe niet verplicht en het gebeurde niet automatisch.7 Het Tribunal de Cassation schreef dat het specialiteitsbeginsel niet tot doel had om een schuldenaar onnodig te beperken in zijn contractsvrijheid, maar om hem goed na te laten denken over welke zaken hij tot zekerheid aan een schuldeiser wilde verbinden. De vestiging van een ‘generaal’ pandrecht – door alles afzonderlijk te verpanden – werd daardoor een weloverwogen keuze.8 Bovendien kon een schuldeiser nog steeds zekerheid op later verkregen zaken krijgen, maar slechts door telkens na de verkrijging een speciaal pandrecht op de verworven zaak te vestigen.9 Zelfs al zou een schuldenaar al zijn onroerende zaken tot zekerheid verbinden aan één schuldeiser, dan nog had het nieuwe systeem het voordeel dat andere schuldeisers op grond van het register konden vaststellen voor welke vordering deze pandrechten waren gevestigd en hoeveel de activa de verzekerde passiva overtroffen.10
De voorstanders van het specialiteitsbeginsel wezen ook andere stellingen van de commissie voor het behoud van het generale pandrecht van de hand. Een schuldeiser met een speciaal pandrecht liep weliswaar het risico dat hij zijn zekerheid verloor als de zaak tenietging, maar volgens het Tribunal de Cassation lag het aan de schuldeiser als hij een zaak aan zich liet verpanden die gemakkelijk tenietging. Het specialiteitsbeginsel dwong een schuldeiser weliswaar om onderzoek te verrichten naar de waarde van de onroerende zaak die hij wilde bezwaren, maar volgens het Tribunal moest een schuldeiser ook onderzoek doen naar de activa als hij een generaal pandrecht wilde laten vestigen.11
De voorstanders van het specialiteitsbeginsel wezen er verder op dat generale zekerheid tot gevolg had dat als één lager gerangschikte schuldeiser overging tot executie, het faillissement van de schuldenaar vaak onafwendbaar was. Na een executoriale verkoop moesten namelijk eerst alle hoger gerangschikte schuldeisers worden voldaan, waardoor de schuldeiser met het jongere pandrecht net zolang doorging totdat ook hij werd voldaan.12 In het verlengde hiervan lag dat als de schuldenaar zelf een onroerende zaak onbezwaard in eigendom wilde overdragen, hij in beginsel eerst alle schuldeisers moest voldoen.13
Verder voerde het Brusselse gerechtshof aan dat het pandrecht een beperkt recht was en om die reden slechts door een beschikkingsbevoegde eigenaar kon worden gevestigd.14 Het hof vergeleek de vestiging van een pandrecht op een onroerende zaak met de terhandstelling bij de vestiging van een vuistpandrecht. Volgens het gerechtshof was het generale pandrecht geen ‘véritable gage’, omdat de schuldeiser alsnog op de persoon van de schuldenaar vertrouwde in plaats van op de zaak.15 De schuldenaar kon de zaken vervreemden waardoor de schuldeiser zijn zekerheid verloor. Het gerechtshof beschouwde het voorgestelde pandrecht als een ‘droit de préférence’ en geen beperkt recht.16 Ten slotte was het gerechtshof van Brussel verbaasd over het feit dat de commissie niet eens had overwogen om een later gevestigd speciaal pandrecht een hogere rang toe te kennen dan een eerder gevestigd generaal pandrecht, de regel ‘bijzonder gaat voor algemeen’.17
De verschillende gerechtshoven hadden er minder moeite mee als wettelijke pandrechten generaal bleven. Volgens het Tribunal de Cassation was deze afwijking van het conventionele pandrecht gerechtvaardigd, omdat de wettelijke pandrechten dienden ter bescherming van echtgenotes en minderjarigen. Conventionele schuldeisers konden telkens pandrechten vestigen op pas verkregen zaken als zij een nieuwe vordering wilden verzekeren, terwijl de echtgenote vanaf de huwelijkssluiting een verzekerde vordering op haar echtgenoot had die gedurende haar leven mogelijk nooit werd opgeëist of voldaan.18