Einde inhoudsopgave
Generale zekerheidsrechten in rechtshistorisch perspectief (O&R nr. 86) 2015/6.4.2
6.4.2 De reacties op het ontwerp
mr. V.J.M. van Hoof, datum 01-06-2015
- Datum
01-06-2015
- Auteur
mr. V.J.M. van Hoof
- JCDI
JCDI:ADS414674:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Rechtsgeschiedenis
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Fenet 1836, I, p. XLIII.
Een punt van kritiek dat vrijwel alle gerechtshoven deelden, maar waar ik niet verder op in ga, was dat de executie van onroerende zaken beter was geregeld in de Loi du 11 Brumaire an VII dan in het ontwerp van de commissie. Bourges, in: Fenet 1836, III, p. 239; Caen, in: Fenet 1836, III, p. 427; Dijon, in: Fenet 1836, III, p. 502; Grenoble, in: Fenet 1836, III, p. 574; Lyon, in: Fenet 1836, IV, p. 225; Montpellier, in: Fenet 1836, IV, p. 491 e.v.; Rouen, in: Fenet V, p. 523; Toulous, in: Fenet V, p. 631. De meeste departementen sloten zich aan bij de strekking van het volgende citaat van het Parijse gerechtshof: ‘Mais, en dernière analyse, les deux lois du 11 Brumaire an 7, concernant les hypothèques et les expropriations forcées, sont d’excellentes lois, et, selon nous, bien supérieures à l’édit de 1771.’, in: Fenet V, p. 247-8.
Het ontwerp stuitte op veel weerstand van het Tribunal de Cassation – de latere Cour de Cassation –, de gerechtshoven van de verschillende departementen en de Conseil d’État.1 Ik zal de voornaamste punten van kritiek in deze paragraaf weergeven.2
6.4.2.1 Een pleidooi voor publiciteit6.4.2.2 Een pleidooi voor specialiteit6.4.2.3 Vuistpand op roerende zaken6.4.2.4 De opvatting van Napoleon