Einde inhoudsopgave
Belastingheffing over particulierpensioen en overheidspensioen in grensoverschrijdende situaties (FM nr. 144) 2015/2.2.3.4
2.2.3.4 Portabiliteit
dr. B. Starink, datum 01-02-2015
- Datum
01-02-2015
- Auteur
dr. B. Starink
- JCDI
JCDI:ADS349320:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Inkomen uit werk en woning (box 1) - niet-winst
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Loonbelasting / Pensioenregeling
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2006/07, 30413, nr. 74.
2005/0214 (COD) en COM(2007)603 final.
COM(2007)603 final.
Kamerstukken II 2011/12, 32043, nr. 109, p. 6.
In 2013 is een werkgroep van start gegaan om de mogelijkheden van een Europees pensioenregister te onderzoeken onder de werknaam TTYPE (Track and trace your pensions in Europe).
R.M.J.M. de Greef, Witboek Pensioen en de (Nederlandse) wet van de remmende voorsprong, TPV 2012/22.
F. Cheung en B. Starink, Voorwaarden voor internationale waardeoverdracht van pensioenkapitaal, Over de Grens 2013/2, p. 18-19. De auteurs beschrijven ook de voorwaarden die Nederland stelt aan een internationale waardeoverdracht en kunnen zich voorstellen dat enkele van deze voorwaarden disproportioneel zijn en daarmee in strijd met het EU-recht.
Uit gegevens van DNB blijkt dat actieven vaker dan inactieven en gepensioneerden een onvoorwaardelijke indexatietoezegging hebben. Ook is de indexatieambitie van slapers en gepensioneerden bijvoorbeeld veelal lager dan die van actieven. Statistisch Bulletin maart 2010, De Nederlansche Bank, p. 30, tabel 1.
Zie ook D. Blake, Pension Schemes and Pension Funds in the United Kingdom, Oxford (UK): University Press 2011, hoofdstuk 16.
Zoals vermeld in onderdeel 2.2.1 is vanaf 2005 op Europees niveau geprobeerd een richtlijn uit te vaardigen op grond waarvan het recht op internationale waardeoverdracht zou ontstaan. In 2007 is nu juist dit element van waardeoverdracht uit de conceptrichtlijn verwijderd, mede omdat de Nederlandse regering door de Tweede Kamer via een motie werd gevraagd een veto uit te spreken over de richtlijn indien het recht op internationale waardeoverdracht er onderdeel van zou uitmaken.1 Deze motie werd beargumenteerd met de stelling dat pensioenen het domein zijn van de sociale partners en de richtlijn niet de oplossing biedt voor de Europese pensioenproblemen van werknemers. De richtlijn is op 15 april 2014 aangenomen door het Europees Parlement.2 In de naam van de richtlijn komt het woord portability ook niet meer voor. De richtlijn is getiteld Directive on minimum requirements for enhancing worker mobility by improving the acquisition and preservation of supplementary pension rights.3Opmerkelijk is dat in het eerdergenoemde Witboek pensioenen van 16 februari 2012 van de Europese Commissie is aangegeven dat opnieuw naar de meeneembaarheid van pensioenen zal worden gekeken. Dat terwijl er nog steeds veel weerstand lijkt te zijn tegen de mogelijkheid van internationale waardeoverdracht. Zo geeft de Nederlandse regering aan dat een recht op internationale waardeoverdracht risico’s met zich meebrengt voor op solidariteit gebaseerde kapitaalgedekte pensioenstelsels zoals het Nederlandse.4 Naar verwachting bedoelde de Europese Commissie in het Witboek dan ook toen zij schreven dat opnieuw naar de meeneembaarheid van pensioenen zal worden gekeken, dat de aangepaste richtlijn (dus zonder het recht op waardeoverdracht) opnieuw door het Europees Parlement aangenomen zou moeten worden, hetgeen op 15 april 2014 is gebeurd. Van internationale meeneembaarheid van pensioenen is echter geen sprake meer. Overigens lijkt waardeoverdracht in verband met het verkrijgen van overzicht over de verschillende pensioenaanspraken minder noodzakelijk zodra de in het Witboek gepropageerde European Pension Tracking Service geïntroduceerd wordt.5 De Greef meent dat de angst dat internationale waardeoverdracht een risico vormt voor kapitaalgedekte pensioenstelsels als het Nederlandse niet reëel is en de soliditeit van het Nederlandse pensioensysteem juist zorg zal dragen voor een lage uitstroom van Nederlandse pensioenen.6 Bovendien maakt de Nederlandse wetgeving, zij het onder te strikte voorwaarden, internationale waardeoverdracht reeds mogelijk.7
In het kader van dit voorstel voor een pensioensysteem als referentiekader moet een opgebouwd tweedepijlerpensioen meeneembaar zijn, zowel nationaal als internationaal. Dit heeft als voornaamste voordeel dat burgers ervoor kunnen zorgen dat zij na pensionering slechts één pensioenuitkering ontvangen en dat de kans op indexatie van pensioenen in de actieve fase het grootst is. Dit wordt veroorzaakt omdat opgebouwde pensioenrechten van niet-actieve deelnemers in tegenstelling tot actieve deelnemers, althans in Nederland, vaak niet of slechter geïndexeerd worden.8 De keuze tot meeneembaarheid van pensioen impliceert dat er geen kosten verbonden zijn aan waardeoverdracht.9