Kiesrecht, verkiezingen en verkiezingscampagnes
Einde inhoudsopgave
Kiesrecht, verkiezingen en verkiezingscampagnes (SteR nr. 63) 2024/12.5.2:12.5.2 Verenigingseis
Kiesrecht, verkiezingen en verkiezingscampagnes (SteR nr. 63) 2024/12.5.2
12.5.2 Verenigingseis
Documentgegevens:
mr. L.S.A. Trapman, datum 19-02-2024
- Datum
19-02-2024
- Auteur
mr. L.S.A. Trapman
- JCDI
JCDI:ADS947833:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Elzinga, Kummeling & Schipper-Spanninga 2012, p. 130-131.
Dragstra 2008, p. 541.
Dragstra 2008, p. 541.
Zie par. 10.2, waarin ik bepleitte dat interne partijdemocratie wettelijk moet worden afgedwongen. Dit heeft als consequentie dat de verenigingsvorm voor partijen verplicht wordt.
Commissie-Veling 2018, p. 44.
Staatscommissie-Remkes 2018, p. 230.
Liedorp 2012, p. 158.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Om aanspraak te maken op subsidie, moeten partijen de verenigingsvorm kennen. Met dit vereiste zocht de wetgever aansluiting bij het stelsel van de Kieswet, waarin sinds 1989 is bepaald dat slechts verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid hun partijnaam kunnen laten registreren. 1Dat vereiste, op zijn beurt, werd opgenomen om het grote aantal niet-serieuze registratieverzoeken tegen te gaan.2 Dragstra wijst er in zijn proefschrift terecht op dat die reden geen rechtvaardiging vormt voor het maken van onderscheid bij het verstrekken van subsidies (die immers met niet-serieuze registratieverzoeken niets te maken hebben). 3Een rechtvaardiging voor het verenigingsvereiste in de Wfpp zou zijns inziens wel gevonden kunnen worden in de stelling dat de te subsidiëren partijen over een minimumniveau aan interne democratie moeten beschikken, hetgeen echter zoals gezegd niet de achtergrond is van het kieswettelijke verenigingsvereiste. 4
Wanneer men van mening is dat partijen over een minimum aan interne partijdemocratie moet beschikken, is de subsidieregeling niet de aangewezen plek om dit af te dwingen. Een kieswettelijke regeling ligt dan meer voor de hand. 5In dat kader verdienen ook de bevindingen van de Commissie-Veling opmerking, die ook van mening was dat de Wfpp niet de juiste plek is om organisatorische eisen aan politieke partijen te stellen. 6In zijn reactie op het advies van de Commissie-Veling erkende ook het kabinet dat ‘organisatorische eisen aan politieke partijen niet langs de weg van de subsidiëring moeten worden geregeld’. 7In de daarop volgende Evaluatiewet Wfpp bleef de verenigingseis echter gehandhaafd. De regering gaf aan dat organisatorische eisen aan politieke partijen op den duur een plek moesten krijgen in de nieuw te creëren Wet op de politieke partijen (Wpp), dit onder verwijzing naar de aanbeveling van de Staatscommissie-Remkes. 8Die aanbeveling was echter enigszins onduidelijk, nu de staatscommissie slechts adviseerde om het voorschrift ‘dat politieke partijen een vereniging moeten zijn’ uit de Kieswet over te nemen. 9Het kieswettelijke verenigingsvereiste geldt echter alleen in de context van naamsregistratie, niet van verkiezingsdeelname als zodanig. De formulering dat partijen een vereniging moeten zijn is wat dat betreft dan ook ongelukkig. Blijkens het conceptvoorstel voor de Wpp dat eind 2022 in internetconsultatie ging, is van het creëren van een verplichting tot het hanteren van de verenigingsvorm voor verkiezingsdeelname geen sprake. Het concept voorziet slechts in een transparantieverplichting voor partijen die onder andere betrekking heeft op hun kandidaatstellingsprocedure, waarmee kiezers over het al dan niet democratische karakter een oordeel moeten kunnen vellen. Ik roep daarbij paragraaf 10.2.2 in herinnering, waar ik bepleitte dat deze transparantieverplichting een ontoereikende waarborg is voor een intern democratische kandidaatstelling. Daartoe zou een wettelijke verplichting opgenomen moeten worden, die overigens meer behelst dan slechts het voorschrijven van de verenigingsvorm. De verenigingsrechtelijke bepalingen uit het BW schrijven immers niets voor over de totstandkoming van de kandidatenlijsten van politieke partijen.
Hoe dan ook, onder de Wpp zal, in het geval dat de wet in de huidige vorm daadwerkelijk wordt ingevoerd, de verenigingsvorm nog altijd wél een vereiste zijn voor subsidiegerechtigdheid, maar niet voor verkiezingsdeelname. Vanuit het oogpunt van kansengelijkheid is dat niet te rechtvaardigen. Het verdient wat mij betreft aanbeveling om subsidiegerechtigdheid simpelweg toe te kennen aan alle politieke groepering die een kandidatenlijst hebben ingediend en vervolgens zetels behaald hebben. 10Dat hoeven, gegeven het huidige systeem van open kandidaatstelling, geen in verenigingsvorm gegoten politieke partijen te zijn. In de praktijk zou deze wijziging overigens geen verschil maken, omdat alle in de Kamer vertegenwoordigde partijen (en alle groeperingen die een kandidatenlijst indienen) de verenigingsvorm kennen, maar vanuit dogmatisch oogpunt is de wijziging wel van betekenis.