Einde inhoudsopgave
Kiesrecht, verkiezingen en verkiezingscampagnes (SteR nr. 63) 2024/12.5.3
12.5.3 Ledeneis
mr. L.S.A. Trapman, datum 19-02-2024
- Datum
19-02-2024
- Auteur
mr. L.S.A. Trapman
- JCDI
JCDI:ADS947834:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Geert Wilders en de Stichting Vrienden van de PVV zijn de enige leden. In het verleden kende de door Rita Verdonk geleide partij Trots op Nederland een gelijksoortige constructie.
Zie ook Dragstra 2008, p. 543-544.
Drexhage & Nehmelman 2010, p. 102. Op zichzelf geen argument voor afschaffing, maar wel opvallend, is dat de ledeneis in vergelijking met andere Europese landen een unieke voorwaarde is voor subsidiegerechtigdheid van politieke partijen. Zie Lucardie, Voerman & Van Zonneveld 2010, p. 12.
Commissie-Veling 2018, p. 44; Dragstra 2008, p. 193.
Staatscommissie-Remkes 2018, p. 230.
Om aanspraak te maken op subsidie moet een partij minimaal duizend leden hebben die over vergader- en stemrecht in de partij beschikken (en die minimaal € 12 per jaar aan contributie betalen). Deze ledeneis werd gesteld om te voorkomen dat partijen ‘zonder enige binding met de samenleving’ voor subsidiëring in aanmerking komen. Duizend leden zouden nodig zijn om een ‘minimale partijorganisatie in stand te kunnen houden’. 1Bij de invoering van de Wspp stond dit vereiste niet ter discussie. Anders was dit in de aanloop naar de Wfpp, toen fractieleden van de VDD en de PvdA de ledeneis wel ter discussie stelden. De VVD-leden voerden aan dat partijen niet altijd aan deze eis voldeden en vroegen daarom om een nadere motivering van het onderscheid. De leden van de PvdA vonden het ongewenst dat een in de Kamer vertegenwoordigde partij, die dus een duidelijk kiezersmandaat had, niet voor subsidie in aanmerking kwam als zij te weinig leden had. 2In antwoord op deze vragen herhaalde de regering slechts haar standpunt dat de ledeneis wordt gerechtvaardigd door het belang van in de samenleving wortelende en met de maatschappij verbonden politieke partijen. 3
Over het algemeen hebben de in de Tweede Kamer vertegenwoordigde partijen geen probleem met het bereiken van duizend leden, zodat de eis in de praktijk wat dat betreft geen hindernis vormt. Anders is dat voor een partij als de PVV, die ervoor heeft gekozen geen leden toe te laten en daarom niet voor subsidie in aanmerking komt. 4Deze situatie is, opnieuw met het oog op het uitgangspunt van kansengelijkheid, niet te rechtvaardigen. Op het moment dat een partij een of meer zetels behaald heeft, vertegenwoordigt zij een deel van het electoraat en staat vast dat de partij in enige mate is geworteld in de maatschappij. 5Drexhage en Nehmelman wijzen er daarnaast op dat partijen vandaag de dag tal van andere mogelijkheden ter beschikking staan om een achterban op te bouwen en aanhang te verwerven dan door leden te werven en pleiten daarom voor afschaffing van de ledeneis.6 Zichtbaarheid op sociale media, bijvoorbeeld, kan inderdaad een effectieve manier zijn voor partijen om zich van een schare volgers te verzekeren, waarmee men moeilijk kan ontkennen dat sprake is van een worteling in de maatschappij.
Ook partijen met minder dan duizend leden moeten naar behoren kunnen functioneren, in welk kader de partijen immers gesubsidieerd worden. Daarbij kan overigens gewezen worden op de verdeelsleutel voor de subsidies, waarvan het ledenaantal zoals gezegd ook onderdeel uitmaakt. Op grond daarvan komen partijen met minder leden sowieso al voor minder subsidie in aanmerking. 7Ook kunnen opnieuw de aanbevelingen van de Commissie-Veling, die vond dat de Wfpp niet de juiste plek is om organisatorische eisen aan politieke partijen te stellen, in herinnering geroepen worden. Ondanks het feit dat het kabinet zoals gezegd erkende dat ‘organisatorische eisen aan politieke partijen niet langs de wet van de subsidiëring moeten worden geregeld’, 8werd het ledenvereiste in de in 2022 aangenomen Evaluatiewet Wfpp gehandhaafd. Zoals gezegd gaf het kabinet, onder verwijzing naar de aanbeveling van de Staatscommissie-Remkes, aan dat organisatorische eisen aan partijen een plek moesten krijgen in de nieuwe Wpp.9 De aanbeveling van de staatscommissie op dit gebied had echter geen betrekking op een eventueel te stellen ledeneis, maar alleen op het uit de Kieswet overnemen van het voorschrift ‘dat politieke partijen een vereniging moeten zijn’. 10Een blik op het conceptvoorstel voor de Wpp leert dat de duizendledeneis daarin stand heeft gehouden als voorwaarde voor subsidiegerechtigdheid. De regering laat daarmee een in het oog springende tekortkoming, in de vorm van een ongerechtvaardigd onderscheid tussen partijen met en zonder duizend leden, in stand.