Einde inhoudsopgave
De systematiek van de vermogensdelicten 2017/6.1
6.1 Inleiding
mr. V.M.A. Sinnige, datum 02-01-2017
- Datum
02-01-2017
- Auteur
mr. V.M.A. Sinnige
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. HR 13 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4573.
Advocaat-Generaal Machielse besluit zijn conclusie met de opmerking dat hij de aanbeveling van de steller van het middel dat de Hoge Raad zelf zou vrijspreken niet opportuun acht omdat bij een nieuwe behandeling zal kunnen blijken dat verdachte inderdaad de auto niet door valsheid in geschrift onder zich had, omdat het zetten van de handtekening niet beslissend was voor de afgifte van de auto. Een dergelijke opmerking zou niet nodig zijn als oplichting ook ten laste was gelegd.
De Jong 1981.
Boksem 1996.
Commissie Moons 1993.
Aan dit rijtje kan nog worden toegevoegd het WODC rapport De tenlastelegging als grondslag voor de rechterlijke beslissing, dat – na sluiting van het onderzoek – in oktober 2016, is verschenen. In het rapport worden voorstellen gedaan voor een mogelijk andere interpretatie van de grondslagleer en inrichting van de tenlastelegging. Het rapport doet geen afbreuk aan de bevindingen van de onderhavige studie, zodat een uitvoerige bespreking achterwege kan blijven.
Het grondslagstelsel op zichzelf stel ik niet ter discussie. Dat wil niet zeggen dat daarover geen discussie mogelijk is. In het kader van het wetgevingsprogramma Versterking prestaties in de strafrechtketen, meer in het bijzonder het onderdeel betreffende de modernisering van het Wetboek van Strafvordering, is het grondslagstelsel onderwerp van gesprek. Vgl. Het onderzoek ter terechtzitting, discussiestuk 2014, p. 28-41 en de Contourennota Modernisering Wetboek van Strafvordering 2015, p. 77-79. Zie ook het hiervoor genoemde WODC rapport 2016.
Vgl. Criminal Law Act 1967, s.6(3).
Bijv. Theft Act 1968, s.12(4).
Vgl. bijv. Ormerod & Williams 2007, par. 13.109.
In de herfst van 1995 eigende een verdachte zich wederrechtelijk een auto toe. Die auto had hij op dat moment al onder zich, want hij had de auto geleast. Bij het aangaan van de leaseovereenkomst had hij echter de naam en handtekening van zijn zoon gebruikt. In hoger beroep werd aangevoerd dat de verdachte de auto dus door misdrijf had verkregen en dat als gevolg daarvan geen veroordeling wegens verduistering kon volgen. Het hof passeerde dit verweer. Het hof overwoog dat de omstandigheid dat de verdachte het contract heeft voorzien van een handtekening met de voorletters van zijn zoon, er niet aan in de weg staat dat verdachte de auto heeft verkregen met instemming van de leasemaatschappij, ook al zou hij de leasemaatschappij door valsheid in geschrift tot instemming met de afgifte van de auto hebben bewogen. Omdat voor de leasemaatschappij niet kenbaar was dat de verdachte niet tekende onder zijn eigen naam, mocht de leasemaatschappij er volgens het hof op vertrouwen dat zij een leaseovereenkomst was aangegaan met de verdachte. Een veroordeling wegens verduistering volgde. De Hoge Raad vernietigde die veroordeling, omdat het hof in het midden heeft gelaten of de leasemaatschappij door de valsheid is bewogen tot de afgifte van de auto. Daardoor was de met de bewezenverklaring onverenigbare mogelijkheid opengebleven dat de verdachte de auto door enig misdrijf – te weten oplichting of het gebruikmaken van een vals opgemaakt geschrift – onder zich had, hetgeen aan een bewezenverklaring van verduistering in de weg zou staan.1
Deze zaak speelt zich af op de grens tussen verduistering en oplichting. Het zou in deze zaak heel verdedigbaar zijn om te stellen dat de verdachte de auto niet op een correcte manier, maar door een oplichtingsmiddel onder zich heeft gekregen. Dat zou dan niet wijzen in de richting van verduistering, maar naar oplichting. Uit de aan het arrest van de Hoge Raad voorafgaande conclusie van Advocaat-Generaal Machielse leid ik echter af dat oplichting niet ten laste was gelegd.2 Het hof had het dus maar te doen met de tenlastegelegde verduistering en heeft zich in bochten gewrongen om tot een bewezenverklaring van dit zonder meer strafwaardige gedrag te komen. Deze casus vormt zo bezien een goede illustratie van de binding van de Nederlandse strafrechter aan de tenlastelegging. Die tenlastelegging dient, zo staat in de artikelen 348 en 350 Sv, de grondslag van het rechterlijk oordeel te vormen. Dat betekent dat onjuiste tenlasteleggingen gevolgen hebben. Als in de zojuist geschetste casus vast komt te staan dat de leasemaatschappij de handtekening beslissend vond voor de afgifte van de auto, kan geen veroordeling volgen wegens verduistering. De verdachte zal dan moeten worden vrijgesproken, hoe strafwaardig zijn handelen ook was. Maar ook op zichzelf correcte tenlasteleggingen, waarin feiten primair-subsidiair of alternatief zijn tenlastegelegd, kunnen tot problemen leiden. De rechter maakt gemakkelijk een verkeerde keuze, wat tot vernietiging kan leiden. Ook zijn de feiten soms zo onduidelijk dat een verantwoorde keuze niet goed te maken valt. Daarbij gaat in het maken van keuzes veel energie zitten, terwijl het ‘nergens’ over gaat. De vraag die daarbij opkomt, is of voor deze problemen binnen het huidige systeem oplossingen kunnen worden gevonden.
Over het grondslagstelsel is reeds veel geschreven. Ik wijs in het bijzonder op de dissertaties van De Jong3 en Boksem4 en het rapport Recht in vorm van de Commissie herijking Wetboek van Strafvordering (Commissie Moons)5.6 Dit is niet de plaats (opnieuw) onderzoek te doen naar het grondslagstelsel. In het onderstaande volsta ik met een korte beschrijving van de grondslagleer.7 Vervolgens onderzoek ik of er binnen het grondslagstelsel een mogelijkheid is om de rechter meer vrijheid te geven in gevallen waarin duidelijk is dát er een strafbaar feit is gepleegd, maar niet welk strafbare feit precies. Daartoe onderzoek ik, meer specifiek, of het mogelijk zou moeten worden dat de rechter overgaat tot een alternatieve bewezenverklaring en kwalificatie. In lijn met het vorige hoofdstuk zou het voor de hand liggen op dit punt wederom het Engelse recht te bestuderen, maar ook in Engeland ontbreekt een strafvorderlijke oplossing voor gevallen waarin zowel het ene als het andere vermogensdelict in beeld komt. Het Engelse procesrecht kent weliswaar alternative verdicts,8 ook in de Theft Act,9 maar deze alternatieven zijn (net als in Nederland) beperkt en bieden geen oplossing voor het hier geschetste probleem.10 Daarom wordt naar het Duitse recht uitgeweken, aangezien in Duitsland een dergelijke alternatieve bewezenverklaring onder bepaalde omstandigheden mogelijk is.