Einde inhoudsopgave
Stille getuigen 2015/5.2.7.2
5.2.7.2 Verhoor via videoverbinding
Mr. B. de Wilde, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. B. de Wilde
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 19 juni 2007, appl.no. 21508/02 (W.S./Polen), § 61. In EHRM 16 oktober 2012, appl.no. 44324/11 (dec.) (Lawless/Verenigd Koninkrijk) was de getuige daadwerkelijk via een videoverbinding gehoord, maar was hij na twee uur niet meer in staat verder te getuigen. Het EHRM nam het videoverhoor in aanmerking als compenserende factor. Hieruit kan niet worden afgeleid dat voor een videoverhoor een goede reden moet bestaan.
EHRM 3 maart 2011, appl.no. 31240/03 (Zhukovskiy/Oekraïne), § 45.
Anders: Daniele 2014, p. 191-197. Weliswaar heeft het EHRM in gevallen waarin een getuige om bepaalde redenen niet live kon worden ondervraagd, aangegeven dat de rechter had moeten overwegen of een verhoor via een videoverbinding mogelijk zou zijn geweest, maar daaruit kan niet worden afgeleid dat voor zo’n verhoor een goede reden moet bestaan.
EHRM (GC) 15 december 2011, appl.nos. 26766/05 & 22228/06 (Al-Khawaja & Tahery/Verenigd Koninkrijk), § 146.
Zie ECRM 22 oktober 1997, appl.no. 29309/95 (Trier/Noorwegen): ‘it would amount to a disproportionate inconvenience and expense to hear her personally instead of reading out her statements made to the police’. Hierbij moet worden aangetekend dat de ECRM dit overwoog tegen de achtergrond dat de getuigenverklaring niet van grote betekenis was voor de veroordeling.
Het ehrm heeft videoverhoren dikwijls genoemd als alternatief ingeval een getuige niet rechtstreeks kon worden ondervraagd, bijvoorbeeld wanneer een getuige een rechtstreekse confrontatie niet aan zou kunnen,1 of de getuige zich duizenden kilometers verderop bevond.2 Uit de jurisprudentie kan ik niet afleiden dat het ehrm een goede reden voor een verhoor via een videolink beschouwt als vereiste om de getuige op deze wijze te mogen ondervragen.3 Voor zover deze eis desondanks geldt, is het de vraag of een rechtvaardiging zou mogen worden gevonden in het belang bij een efficiënte procesvoering. Artikel 51 van de Britse Criminal Justice Act 2003 bepaalt dat een videoverhoor in bepaalde gevallen toegestaan is. Een voorwaarde ervoor is dat ‘the court is satisfied that it is in the interests of the efficient or effective administration of justice for the person concerned to give evidence in the proceedings through a live link’ (lid 4 sub a). Het ehrm erkent het belang van een efficiënte procesvoering in het algemeen. In het arrest Al-Khawaja & Tahery noemde het ‘the traditional way in which the Court approaches the issue of the overall fairness of the proceedings, namely to weigh in the balance the competing interests of the defence, the victim, and witnesses, and the public interest in the effective administration of justice.’4 Ook voor budgettaire argumenten heeft Straatsburg zich gevoelig getoond.5 Het is dan ook goed denkbaar dat het in het efficiëntie-belang een goede reden zou zien om een videoverhoor te organiseren. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het verhoor van een getuige die zich in het buitenland bevindt. Deze getuige zou naar Nederland kunnen overkomen of zou in het kader van een rogatoire commissie in het buitenland kunnen worden gehoord. In beide gevallen zullen echter reiskosten moeten worden gemaakt. Verhoor door een rogatoire commissie zal bovendien veel onderzoekscapaciteit in beslag nemen, omdat overheidsfunctionarissen naar een ander land moeten afreizen. De kosten van een videoverhoor zijn vermoedelijk laag, terwijl een dergelijk verhoor slechts beperkte onderzoekscapaciteit vergt.